“Wat een vervelende kinderen zeg”

250915

Vandaag liep ik in het bos met mijn twee kleine doerakken. Nou ja, liepen: Jip zat op zijn loopfiets en Mirre zat overwegend op mijn schouders, maar à la. We hadden het leuk, volgden het kabouterpad dat is aangelegd voor kinderen en vonden hier en daar al mooie paddenstoelen. Toen de wandeling klaar was, had ik wel zin in een drankje. Aan de rand van het bos zit een aardig café. Het heeft een beetje een oubollige inrichting met meubels van hout die voorzien zijn van een dikke hoogglanslaklaag en de kleuren zijn verder overheersend oud roze met een vaal lichtgroen. Voor een chocomel met de kinderen is het prima te doen. Even later stapten we er binnen. Het interieur bleek compleet veranderd: modern grijs-bruin met zwarte armaturen en ‘hippe’ gloeilampen, waarvan het kooldraad mooi zichtbaar is. Gelukkig was het publiek niet veranderd: veel grijze koppen en hier en daar een tafeltje met wandelaars. Wat mij betreft kon de cafébezoek doorgang vinden. Zowel ik als Jip en Mirre hebben genoten van de chocolademelk en het extra koekje dat we erbij kregen. Geen geschreeuw, gemopper, gezeur, alleen gezellig kletsen en twee liedjes op fluistertoon. Toen ik ging afrekenen, sprongen de kinderen van een afstapje af, stapten er weer op en sprongen er weer af. Ze hadden er lol in, maar gingen meteen mee, toen ik dat vroeg. Ik was trots op mijn kinderen. Wat een heerlijke wezentjes zijn het toch. Bij het naar buiten gaan, begon Mirre haar kont een beetje tegen de krib te gooien. Ze wilde niet mee en ging boos tegen een muur staan. Ik zeg: “Jip, pak alvast je fiets maar en ga naar buiten, dan komt Mirre wellicht vanzelf.” Jip deed wat ik hem vroeg. Hij reed op zijn fietsje naar de voordeur, een man en een vrouw moesten even inhouden toen Jip kwam aangereden. Slaakte één van hen nou een zucht? Ik besloot dat ik het me verbeeldde, de mensen liepen door de schuifdeuren naar buiten toen Mirre aan kwam hollen en bij elke stap luidkeels een soort  ‘na, na, na, na, na’ liet horen. Ik zei ‘ssssssst’ voor de vorm. Ze liep mee en ik was allang tevreden. De entree van het pand ligt op anderhalve meter hoogte, je kunt kiezen voor de trap of voor de ‘hellingbaan’, zoals dat zo mooi heet. Zowel de man en de vrouw als Jip waren bij de uitgang naar links gegaan; de afrit voor rolstoelen. Heel erg leuk natuurlijk voor Jip. De mensen waren bijna beneden en Jip stond nog bovenaan de afrit: klaar voor de supersnelle afdaling! Op het moment dat hij afzet, zijn de mensen bijna beneden. Ineens hoor ik de man zeggen: “Wat een vervelende kinderen zeg.” Mijn ogen worden groot. Ik denk: “Hoorde ik dat nou goed?” en ik denk ook: “O jee, als dat maar goed gaat,” want Jip roetsjt knalhard naar beneden op het fietsje. Hij raakt de mensen net niet.  De vrouw – die bevestigend heeft geantwoord -, stapt opzij voor Jip. Ik vraag me af of het nodig was geweest, maar het was kantje boord, net geen botsing gelukkig. Vanaf dat moment heb ik een knoop in mijn buik. Jip en Mirre gaan beiden nog minimaal vijf keer joelend van de ‘berg’ af. Beneden sta ik, tot ik het niet meer volhoud, de knoop in mijn buik wordt te groot. Ik begin er misselijk van te worden en wil weer gaan lopen; mijn zinnen verzetten. “Kom kinders, we gaan naar de auto.” Als we daarheen lopen, vraag ik me af waarom ik zo geraakt ben. Omdat iemand iets lelijks over mijn kinderen zegt? Omdat het eigenlijk over mij gaat? Omdat iemand zoiets kan zeggen puur en alleen omdat hij wíl raken? We passeren kabouter nummer 2 voor de tweede keer vandaag, deze kabouter heeft net nog een uitgebreide knuffel van Jip gehad en kijkt me nu met een meewarig blik aan. “Maak je toch niet zo druk joh!” lijkt hij te willen zeggen. Pas na tien minuten mijmeren, bedenk ik dat de uitspraak helemaal niets zegt over mij of mijn kinderen. Deze mensen ervaren mijn kinderen als vervelend en dat zegt meer over hen dan over mijn kinderen. De knoop in mijn buik wordt iets milder. Hopelijk komt er geen volgende keer, maar als het ooit nog eens gebeurt, kan ik vanaf heden adequater op de situatie reageren. Dit laat ik geen tweede keer over mijn kant gaan.