Vraag maar aan papa

200216

Als kind had ik een vader die alles wist. Wanneer ik iets wilde weten (over geschiedenis, wiskunde, de natuur, het maakte niet uit), ik kon bij hem terecht. Mijn vader was een wandelende encyclopedie en dat was hij al ver voordat internet bestond. Voor mij was het de normaalste zaak van de wereld. Vroeger had ik het idee dat alle vaders zo waren en als je moeder ergens geen antwoord op had, dan wist je dat je bij je vader te rade kon gaan. Toen ik ouder werd, ontdekte ik dat het hebben van een grote algemene kennis niets mannelijks was, maar typisch iets van mijn vader. In onze familie komt het vaker voor en het blijkt niet genderafhankelijk te zijn. Ook heb ik ontdekt dat hij weleens wat verzon als hij het niet wist, zo heb ik lang gedacht dat de ‘groengele tjiftjaf’ echt bestond en kon ik opgelucht ademhalen toen bleek dat het gat in de ozonlaag wél weer kon herstellen, maar dat is een ander verhaal. Zelf heb ik niet veel parate kennis. Ik sla simpelweg te weinig op. Natuurlijk doen onze kinderen regelmatig een beroep op mijn kennis. Als ik nu iets niet weet, dan zeg ik het gewoon tegen ze. Gelukkig hebben ze – wat dat betreft – een vader net als de mijne, dus ze komen niets te kort. En anders hebben we internet nog. De oorzaak ken ik niet, maar Jip neemt niet alles klakkeloos van mij aan. En als onze kleuter mij niet gelooft, gaat hij naar zijn vader. Dat heb ik lange tijd erg irritant gevonden. Tegenwoordig zie ik er steeds meer de voordelen van in. Eigenlijk belanden Jip en ik nooit meer in een onzinnige discussie door het rotsvaste vertrouwen dat hij in zijn vader heeft. Want als Jip bijvoorbeeld stellig beweert dat de stoel van ijzer is gemaakt, terwijl het overduidelijk kunststof is, of dat ik zeg dat de afgebeelde groente ‘snijbiet’ is en hij heeft er zijn bedenkingen bij, dan konden we makkelijk in een welles-nietes belanden. Uiteindelijk eindigde ik de twist dan met woorden als: “Het is zoals ik het zeg. Punt uit. Dat heb je maar aan te nemen.” Of iets van die strekking. Nu zeg ik: “Weet je wat? Vraag het aan je vader.” Het gesprek is daarmee afgesloten. Het is misschien wel jammer dat hij mijn antwoorden niet zonder meer als waarheid beschouwt, maar het is nog treuriger om daarover te gaan brommen.200216