Tante Perenboom is veel liever!

030116Het is zaterdagochtend, Frans en ik zitten op de bank en de kinderen spelen Woezel en Pip in de kamer. Een heerlijk momentje. Dan word ik gebombardeerd tot Tante Perenboom. “Hallo Tante Perenboom, wij zijn aan het spelen, moeten we nu ‘hok opruimen’?” Ik ken de verhalen van het hondenduo en antwoord dus met een rustige vriendelijke stem dat het hok-opruim-dag is en dat wanneer het klaar is, ze allebei een lekker perenijsje van mij krijgen. De twee hondjes zijn door het dolle heen. Ze gooien met dekens en doen die om en over zich heen en vinden dat ze dan genoeg gedaan hebben en komen terug voor het ijsje. Tante Perenboom vindt het allemaal prima, ze is allang blij dat ze vast zit aan de bank en dat ze gewoon haar koffie op kan drinken. “Wat hebben jullie de dekens mooi verplaatst,” benoemt ze wat ze ziet, “de tovertuin ziet er weer netjes uit.” Woezel en Pip krijgen allebei een perenijsje. Met veel geluid worden de onzichtbare ijsjes verorberd. Het spel duurt in ieder geval zo lang als ons koffiemoment, dus ik ben erg tevreden. Later in de middag valt het me op dat Mirre mij Tante Perenboom blijft noemen. Ik vermoed dat het is, omdat Tante Perenboom liever voor haar is dan haar eigen moeder. Op een gegeven moment sta ik in de keuken en wordt Mirre in de kamer streng toegesproken door haar vader. “Tante Perenboom….!!!” Huilend komt ze naar me toe gerend. Nu weet ik het bijna zeker. ’s Middags leg ik haar in bed. Mirre bedenkt van alles om maar niet te hoeven slapen. “Ik wil Martijn een kus geven,” “Ik moet plassen,” “Mama, water.” “Mirre, ga eens slapen,” roep ik als ik haar kamertje passeer. “Tante Perenboom, mag ik water alsjeblieft?” Ik word week. Ik voel de roep van mijn dochter, de roep om een zachte, zorgzame moeder, de roep om aandacht van een begripvolle volwassene. Als vanzelf verander ik in Tante Perenboom en ga een glaasje water halen voor dochterlief. (En dan echt gaan slapen, hè?)