Een leeg kinderstoeltje voorop

10432942_10152662336391273_8822141737257588557_n
Twee kinderzitjes zitten er nog steeds op mijn fiets. Zelfs als ze leeg zijn fiets ik er trots mee rond (“Kijk allemaal, ik ben mama van twee kleintjes!”), maar als er zowel voorop als achterop een kindje zit, dan voel ik me pas echt rijk. Mirre lekker dichtbij voorop, zodat ik af en toe mijn neus in haar zachte haren kan duwen. Gezellig met haar kletsen en haar een kus op haar gezicht geven als ze plots haar hoofdje lachend achterover gooit. Jip achterop, af en toe voel ik zijn armpjes om mijn middel of zijn hoofd tegen mijn rug. “Mama, kijk!” roept hij hard als er iets interessants binnen zijn gezichtsveld komt. Ik geniet volop en ergens in mijn achterhoofd zegt een stemmetje: “Neem het ervan! Het is zo voorbij.” Ja, hoe lang doet die dure moederfiets nog volledig waar hij voor bedoeld is? Hoe lang heb ik het prachtige brede stuur nog echt nodig? Ik voel pijn in mijn hart als ik hieraan denk. Sinds een week wil mijn lieve kleine meid achterop zitten als haar broer niet ook op de fiets hoeft. “Voorop is toch veel leuker? Dichtbij mama,” probeer ik nog. Ik ben er echt nog niet aan toe dat mijn dochter verhuist naar het stoeltje op de bagagedrager. Mirre wel, die wil vooruit. Ze trekt zich gelukkig helemaal niets van de droefheid in mijn stem aan. Ze wil groter groeien misschien, wegkruipen achter mama’s grote rug, uit de wind zitten, gewoon ontdekken hoe het daar zit, ik weet het niet, maar dat ze in de andere stoel wil, dat moge duidelijk zijn. Ik vind zelf dat ik hier niets in te willen heb. Wat mij te doen staat is haar loslaten. Maar oh, wat is dat moeilijk zeg. Met een simpele armzwaai til ik haar op en zet ik haar daar waar ze nu het liefste wil zitten: achter mij. Weemoedig zet ik mijn voet op de trapper en zet af. Daar gaan we: een leeg stoeltje voor, een vrolijke blozende dreumes achterop. Zucht, de tijd gaat me veel te snel.