Mag je niet boos worden als je verliest?

160116
Als ik Mirre in bed heb gelegd voor haar middagdutje, loop ik naar beneden, Jip speelt met autootjes. Lekker nutteloos op de bank hangen met mijn telefoontje, daar heb ik eigenlijk wel zin in. Ik besluit om dat ook gewoon te proberen. Nadat ik een kop thee voor mezelf heb ingeschonken en mij op de bank nestel, vraagt Jip of hij een filmpje mag kijken. Filmpjes kijken moet bij ons op een telefoontje of de computer, want wij hebben geen televisie. Ik voel dat ik geen zin in heb om dat klaar te zetten en ik voel nog sterker dat ik niet wil dat hij net als ik als een zombie voor een schermpje gaat zitten. Ervaring heeft mij geleerd dat het weinig nut heeft om hem nu stimuleren weer met zijn auto’s te spelen. Zonder ‘nee’ te zeggen, vraag ik (een beetje tegen mijn zin in) of hij soms een spelletje wil doen met mij. “Jaaaaaaa!!!” roept hij enthousiast. Een spelletje doen met Jip is heel erg leuk. We doen bijvoorbeeld ganzenborden, memory of ‘mens-erger-je-niet’. Jip is geconcentreerd en gedreven, heeft er plezier in en blijft tot het einde geboeid. Er is één nadeel en dat nadeel is wel zo groot dat ik besluit het te benoemen: “Jip, ik vind het heel leuk om een spelletje te spelen, maar kun jij me beloven dat je niet boos gaat worden of gaat schreeuwen als je verliest?” “Ja hoor, mama,” antwoordt mijn zoon gedwee. “Oké,” zeg ik, “want dat vind ik echt heel vervelend. Er kan er maar één winnen, soms ben jij dat en soms ik.” Jip knikt nog maar eens. Ik haal het spel en tien minuten later zitten we te ‘mens-erger-je-nieten’. Als Frans binnenkomt, vertel ik hem over onze afspraak. “Dus als Jip verliest, gaat hij niet boos worden,” sluit ik af. Jip kijkt me aan. Hij denkt even na en zegt dan: “Mama, je mag wel boos worden, maar je mag elkaar alleen geen pijn doen.” Uh….ja, ik sta met een mond vol tanden. Hij heeft een punt. Wat nu? Ik ben blij als Jip het spelletje uiteindelijk wint, want wat had ik toch met een boze Jip aangemoeten? Moet ik het toch toestaan, in het vertrouwen dat hij uiteindelijk ons goede voorbeeld heus wel naleeft? Ik denk er nog even over na. Als iemand een antwoord weet……

Waarom straffen

Kinderen zonder zelfoordeel

schommel
Op Facebook ben ik lid van een groep die ‘onvoorwaardelijk ouderschap’ heet. Dit is een fijne, respectvolle groep van ouders die opvoeden zonder straffen en zonder belonen. Soms worden er interessante artikelen gedeeld, maar meestal leggen ouders elkaar situaties voor waar ze zich geen raad mee weten. Bijvoorbeeld een kind van drie dat altijd zijn jongere zusje slaat. “Hoe los ik dit ‘oo’ op?” is dan de vraag, waarbij ‘oo’ staat voor onvoorwaardelijk opvoeden. Als ik dan de reacties lees, zie ik zulke voorbeeldige antwoorden. Om jaloers op te worden. Maar ja, ik kan vaak zelf ook wel bedenken hoe ergens op te reageren, maar het doen is echt een tweede. Als Jip Mirre slaat of andersom, heb ik niet altijd het geduld om daar relaxed op te reageren. Integendeel ik kan er hartstikke boos om worden. Onvoorwaardelijk ouderschap gaat uit van de filosofie dat onvoorwaardelijke ouderliefde ervoor zorgt dat een kind ook onvoorwaardelijke eigenliefde ontwikkelt. Is het mogelijk om een kind op te voeden dat geen negatieve oordelen over zichzelf heeft? Ik vind het een mooi streven. Ondanks het besef dat ik niet in staat ben om altijd onvoorwaardelijk te zijn in de opvoeding, blijf ik vasthouden aan de principes van deze methode. Maar ik moet zeggen dat ik niet geloof dat kinderen kunnen opgroeien zonder negatieve zelfovertuigingen. Deze overtuigingen komen er gewoon, het is bijna inherent aan mens zijn en als ouder heb je er weinig invloed op. De eerste jaren van een mensenleven, van baby tot peuter, doen er zich situaties voor in intermenselijk contact en een kind beschouwt dat. Op een zeker moment komt er een ik-besef en vanaf ongeveer 2,5 jaar is een kind in staat een (sociale) gebeurtenis te verbinden aan zichzelf. Meestal is dit de leeftijd waarop een eerste zelfovertuiging zich vestigt. Je ziet dat ook gebeuren: kinderen gaan bepaald typematig gedrag vertonen. Gedrag dat nu eenmaal van ze wordt verwacht. Als een overtuiging zich eenmaal in het kinderhoofdje heeft genesteld, zal het gaan zoeken naar bevestiging. Een ouder hoeft maar één keer per ongeluk het woord ‘aansteller’ te hebben geroepen en het verdwijnt nooit meer, omdat na het (telkens opnieuw) vinden van bewijs voor deze overtuiging, dit een waarheid wordt. Een vriendin van me vertelde me ooit dat ze als vierjarige een balletdansje deed voor de vriendinnen van haar moeder. Haar moeder was jarig en de vriendinnen zaten glimlachend naar haar te kijken. Ze had een rondje gedraaid en nog één, misschien nog wel eentje, toen haar moeder plotseling zei: “Nu heb je wel genoeg aandacht gehad.” Schaamte viel haar onmiddellijk ten deel. Hoe had ze zoveel aandacht durven trekken? Dat was ze helemaal niet waard! De overtuiging dat ze geen aandacht waard was, heeft zich in haar hoofd genesteld en ze worstelt er nu, meer dan dertig jaar later, nog mee. Om terug te komen op onvoorwaardelijk opvoeden, het is een mooi streven, maar niet echt reëel. Ik volg twee bloggende moeders die zichzelf ‘De Mama’s’ noemen, zij hebben zichzelf ten doel gesteld om kinderen ‘af te leveren’ die weinig tot geen psychotherapie nodig hebben. Dat vind ik wel een leuke, en het streven is meer realistisch dan het idee om kinderen op de wereld te kunnen zetten die onvoorwaardelijk van zichzelf houden.

Wie komt er in mijn huisje?

110116 2“Wie komt er in mijn huisje? Wie komt er in mijn huisje?” Wie is er niet mee opgegroeid? Ik kan me de wijd gespreide armen van mijn moeder en van ooms en tantes nog goed herinneren; vol enthousiasme rende ik erheen en ik liet me in de welkome armen vallen. Nu doe ik het bij mijn kinderen en ik vraag me af of mijn familie vroeger dezelfde intentie daarmee had als ik. Mijn bedoeling is namelijk meestal om mijn kinderen mijn kant op te bewegen, zodat ik bijvoorbeeld hun jas aan kan doen. De ´wie-komt-er-in-mijn-huisje-methode’ vind ik echt een geweldige manier om kinderen naar je toe te krijgen, want ze worden er altijd blij van. En ik ook. Ook al heb ik soms geen zin om het te zeggen, als eenmaal het moment is gekomen dat de magische woorden zijn uitgesproken en het kind gaat rennen, word je vanzelf blij. Wat een vrolijkheid. Bij ons in huis is wie-komt-er-in-mijn-huisje alleen een beetje uit de hand gelopen. Weken geleden heb ik het een keer ingezet om een dreutelende Mirre zover te krijgen dat ze naar me toe liep, zodat ik haar op de wc kon zetten. Sindsdien is dat een maniertje geworden. Elke keer als ze naar de wc gaat, moet ik het zinnetje zeggen, anders weigert ze gewoonweg. “Het kan toch niet altijd leuk zijn?” zeggen critici van opvoeden zonder straf. Tja, ik zou ook weleens willen dat ze gewoon luisterde, maar dat doet ze niet. Ik kan de weerstand op zoeken, maar daar heb ik uiteindelijk alleen maar mezelf mee. Dus zuchtend ga ik weer door mijn knieën, open mijn armen en ik vraag haar of ze in mijn huisje wil komen. Mirre is het nog lang niet moe, steevast komt ze me vrolijk lachend tegemoet gerend. Ze neemt me mee in haar vrolijkheid, telkens weer. Het kan niet altijd leuk zijn? Als het aan Mirre ligt wel…!

Waarom straffen