Dat kan ik niet!

170115
“Dat kan ik niet,” zegt Jip of “Kanne nie,” zegt Mirre. Slechts af en toe denk ik dan: “Nee, dat snap ik, zal ik het even doen?” Als Mirre voor haar bedje staat en erin wil, dan heeft ze mij nodig om haar erin te tillen, logisch. In andere situaties gaan we het samen proberen, schoenen aandoen bijvoorbeeld, maar meestal is er meer aan de hand als ze zeggen dat ze iets niet kunnen. 1) Ze hebben er gewoon geen zin in. Deze eerste ‘kan-ik-niet’ kan ik erg irritant vinden. Dat ze op deze leeftijd al met een smoesje komen, omdat ze het niet zelf willen doen: een papiertje in de prullenbak gooien bijvoorbeeld of Jip die ineens de gordijnen niet meer dicht kan trekken. Soms kan ik het gewoon laten, of ik kan benoemen wat ik denk dat er aan de hand is, maar er kan gemakkelijk een welles-nietes ontstaan: “Natuurlijk kan je dat wel.” “Niet waar!” “Wel!” Pffffff….. 2) Ze willen aandacht. Als Jip zijn kleren ineens niet meer zelf aan kan doen, dan wil hij graag dat ik me met hem bezighoud. Bij deze ‘kan-ik-niet’ benoem ik wat ik denk dat er echt aan de hand is en ga ik hem meestal de aandacht geven die hij wil. 3) Ze zijn onzeker. Deze is de meest complexe en gevoelige. Ik zou hier wel 3a, 3b en 3c van kunnen maken. Ze zijn onzeker omdat ze denken dat ze het niet kunnen. Bijvoorbeeld twee stukjes hout aan elkaar maken met hamer en spijker. Logisch en helemaal oké. Erger is dat ze denken dat ze het niet kunnen, maar dat ze eigenlijk vooral bang zijn voor het oordeel dat daarop zit. Een moeilijke puzzel leggen zou een voorbeeld kunnen zijn. Jip heeft het gevoel dat hij dat goed moet doen. Dit kan komen door te veel beloningen eerder, waardoor hij het idee heeft aan verwachtingen te moeten voldoen. Hierin werkt benoemen en inleven ook best aardig. De laatste in de categorie ‘onzekerheid’ is dat hij zich niet kan voorstellen dat hij dat ooit kan. Zo had ik het pas over het begrip ‘werk’ met Jip en wat hem leuk lijkt om te doen. “Mensen beter maken,” antwoordde Jip. Een nobel streven. Ik legde uit dat je dat op verschillende manieren kunt doen. Toen ik zei dat je ook medicijnen kunt maken, zei Jip: “Dat kan ik niet.” Ik zei natuurlijk dat ik dat begreep, maar dat hij dat kan leren. Hij bleef ‘nee’ schudden. Deze  laatste categorie ‘kan-ik-niet’ vind ik de allerlastigste om mee om te gaan. Misschien is het meer iets van mij dan van hem, maar ik denk dan: Zijn kinderfantasie zou hem overal moeten kunnen brengen waar hij wil en de wereld ligt aan zijn voeten, en dan beperkt hij zichzelf nu al. “Kan ik iets doen, moet ik iets doen hierin?” vraag ik mezelf af. Geen idee. Wie weet is “Kan ik niet,” wel het beste antwoord in dezen. Ik kan van alles willen, maar misschien ben ik niet veel meer dan een aanschouwer van zijn proces hierin.

Waarom bewust belonenWaarom straffen

Toegeven omdat hij huilt

131215IMG_3196.PNG wordt weergegevenAls ik terug kom van een wandeling met Mirre, is Frans bezig met het vervangen van een koplamp van de auto. Het is geen gemakkelijke klus. Ik besluit hem wat aandacht te geven en te laten zien dat ik het dapper vind dat hij hier zelf aan begint. We zitten samen gehurkt bij het linker voorwiel van onze Renault, als hij met een treurig gezicht zegt: “Ik heb toegegeven.” “Wat bedoel je?” vraag ik. “Maartje, ik kon het echt niet. Ik heb Zed voor Jip gekocht, toen hij erom begon te huilen.” Frans kijkt afwachtend aan. Ik kijk geschrokken terug. Wat moet ik zeggen? Dit is zo ongeveer regel nummer één. Consequent zijn en niet toegeven op zulke momenten. “Nee!” zeg ik ten slotte alleen maar. “Oh, het was zo erg?” Frans vertelt het hele verhaal. Hoe hij en Jip samen de Action in waren gelopen. Hoe hij nog tegen onze zoon had gezegd “Kijk Jip, daar staat al het speelgoed,” omdat hij toch alle vertrouwen had dat hij Jip er moeiteloos doorheen zou loodsen. Dat hij vervolgens alle spullen had verzameld die hij nodig had en toen Jip had gevonden bij zijn favoriete speeltjes van Cars en Planes. Dat Jip enthousiast “Papa, kijk ze hebben Zed!” had uitgeroepen en dat hij toen in zijn enthousiasme mee was gegaan, maar toen het moment kwam dat Jip het vliegtuigje mee wilde nemen en zijn vader zie dat dat niet ging gebeuren, werden zijn ogen groot. “Maar papa, ik wil deze echt graag!” had hij gezegd. Frans probeerde standvastig te zijn, “Maar ja,” zei hij tegen mij: “Jip keek me aan en zijn ogen vulden zich met tranen ‘maar Zed is het vliegtuig dat bij Dusty de antenne eraf vliegt’ ik moet met hem spelen.’” Jip was gaan huilen. “Het was echt verdriet, Maartje. Ik heb hem zelden zo oprecht verdrietig gezien en al helemaal niet in een speelgoedwinkel. Ik wist niet wat ik moest doen,” zei Frans. “Ik heb hem toen gevraagd of hij zeker wist dat het Zed was en niet Ned, de andere bijna identieke vliegende kompaan van de vileine Ripslinger. Jip wilde ter verificatie acuut de film starten op zijn vaders telefoon, maar dat ging natuurlijk niet. “Toen heb ik op Google: ‘Dusty loses antenna’ ingetypt en vond ik dat het inderdaad Zed was die het deed. Tja, na deze ontdekking vond ik dat ik er echt niet meer onderuit kon.” Frans zijn verhaal was uit. Ik kon het helemaal volgen. Wat zou ik zelf gedaan hebben? Tot nu toe had het samen fantaseren altijd gewerkt om hem te laten zien dat we begrepen hoe graag hij iets wilde. Daarna kochten we het niet en dat was dan oké. Wat gaat er volgende keer gebeuren? Ik denk dat de uitdaging alleen maar groter wordt na deze gebeurtenis. Nou ja, we gaan het meemaken.

Het verhaal van Jip of de kabouter en de muis

111215

“Kom Jip, we gaan nog even boodschappen doen,” zeg ik tegen zoonlief als we het verzorgingstehuis van mijn grootouders verlaten. Het is al donker, Frans kookt gelukkig, maar ik moet vanavond aan de bak voor de vervroegde kerstlunch van het werk. Zojuist in de auto, heb ik bedacht wat het gaat worden: bladerdeeg met spinazie, feta, pijnboompitjes en wat citroenrasp. Nog nooit gemaakt, maar dat lijkt me makkelijk, snel klaar en lekker. Vijf minuten later zet ik de auto neer bij de plaatselijke Jumbo. Jip is het er niet mee eens: “Ik wil niet naar deze winkel. Deze winkel is stom!” zegt hij. Ik vraag me af wat er achter deze opmerking zit, maar besluit het te negeren. “We gaan wel naar deze winkel, want dat is het makkelijkst, kom.” Mijn kleuter besluit gelukkig om niet verder tegen te stribbelen. In de winkel zet hij zijn zinnen op twee eierkoeken in een zakje en ik stem in, omdat ik geen zin heb in gezeur. Als ik alle ingrediënten voor de flapjes heb, laat ik me verleiden door een bakje studentenhaver. Jip en ik lopen naar de kassa. Alles verloopt soepel, tot we even later aankomen bij de auto. Jip wil de eierkoek opeten en ik zeg dat hij hem niet krijgt. Hij begint keihard te krijsen en te springen. Ik zeg dat hij wel wat nootjes mag, maar dat mag niet baten. Jip is ontzet en woest. Al het inlevingsvermogen dat ik in mij heb haal ik naar boven, maar tevergeefs. Uiteindelijk pak ik een krijsende kleuter op en zet hem voorin naast mij in zijn stoel. Hij krijst nog steeds als ik de auto start. Ga ik dit afwachten? Of ik ga ik nog een interventie doen? Ik besluit het tweede en begin uit het niets een verhaal over een kabouter, die net zo hard huilt als Jip. Ik heb nog geen idee waar het verhaal  heen gaat als er een muis in komt, die de kabouter waarschuwt niet te hard te huilen, omdat de uil hem dan hoort en die vreet hem op als hij niet uitkijkt. Er ontrolt zich een conversatie tussen de muis en de kabouter, waarin de kabouter vertelt dat hij verdrietig is, omdat hij eigenlijk heel graag een eierkoek wilde eten, maar dat dat niet mocht van zijn moeder. De muis luistert aandachtig. En naast mij zit inmiddels ook een jongetje aandachtig te luisteren naar het verhaal. De muis leeft zich volledig in in het relaas van de kabouter: “Wat verschrikkelijk dat je de eierkoek niet krijgt!” zegt hij bijvoorbeeld, maar ook: “Zou je hem met mij delen als je hem nu wel had?” De kabouter beaamde dat en toen vond de muis het nog veel erger dat de kabouter geen eierkoek had gekregen. Dan vertelt de kabouter dat hij morgen wel een eierkoek krijgt van zijn moeder. En plots is de muis dolgelukkig. “Deel je hem dan ook met mij?” vraagt de muis opgetogen. “Natuurlijk!” zegt de kabouter enthousiast. De muis maakt een vreugdedans en de kabouter danst mee. Ze dansen heel stilletjes, zodat de uil ze niet kan horen. Nog één nachtje slapen dan gaan ze samen een eierkoek eten. Het verhaal is uit. Ik zwijg. Naast me blijft het ook stil. Jip verroert zich niet. Twee lange minuten (zag ik op het klokje in het dashboard) gaan voorbij. Dan begint Jip weer te spreken. “Mama, mag ik nootjes?”

Waarom straffen