Zij ontwikkelt (ondeugd) en ik kijk toe

130715
Mirre is een grote deugniet. Ze kan wel eens verlegen zijn hoor, maar over het algemeen trekt ze zich helemaal niets van andere mensen aan. Ze gaat haar eigen gang en als iets niet op haar manier kan, dan zal ze haar boosheid hierover openlijk en zeer gericht tonen. Zo kan ze bijvoorbeeld een glas melk, terwijl ze je strak aankijkt, in alle rust boven de vloer leeg gieten, omdat ze nu eenmaal liever appelsap in haar glas had gehad. Of ze trekt heel boos alle speldjes en elastiekjes uit haar haar, omdat ze weet dat je dat niet leuk vindt. Een banaan fijnknijpen in haar hand, omdat ze liever snoep heeft dan fruit. Bewust in haar broek plassen, omdat ze zonder broek rond wil lopen. We moeten direct alles uit haar omgeving wegnemen als ze boos is, want anders richt ze haar frustratie op datgene dat het dichtst bij staat. Daarnaast is het zaak om haar niet nog verder in de ondeugende rol te duwen. Ik weet dat op het moment dat ik haar als ondeugend bestempel, ze dat gedrag ook (meer) gaat vertonen. Het is namelijk als een zichzelf bevestigende voorspelling. Als je als ouder je kind eenmaal op een bepaalde manier gaat zien, dan ziet een kind zichzelf ook zo en het gedrag zal zich versterken: het kind gaat gedrag vertonen dat kennelijk verwacht wordt. Bij Mirre vind ik het heel moeilijk om haar van die ondeugende kant weg te houden. Naast dat ik af en toe speels ‘kleine doerak’ roep, heb ik van de week een keer gezegd dat ze ‘stout’ was. Ze was voor mijn gevoel heel bewust juist níet op het papier aan het stempelen, maar op de tafel. Toen ik mezelf het woord stout hoorde gebruiken, herstelde ik het snel en zei dat ik bedoelde dat dit niet mocht en dat ze dat echt wel weet. Mirre gaat ongestoord door. Als ze ziet dat ik haar wil pakken, zet ze er nog gauw lachend  een paar stempels bij. Wat het bij Mirre moeilijk maakt is dat ik er stiekem van geniet dat ze die ondeugende kant in zich heeft. Ook al zeg ik tegen mezelf dat ik er niets van mag vinden – ze is wie ze is – toch ben ik wel blij dat mijn kind niet alleen maar lief (en volgzaam) is. Het resultaat is dat ik dus boos word voor de vorm, maar daar prikt ze dwars doorheen. Op momenten dat ik echt boos word, trekt ze zich er of niets van aan, of ze gaat bloedserieus naar me kijken en ‘ja’ zeggen op de juiste momenten. Ze ziet er dan uit als een groot mens in een kindervermomming. Erg grappig dus en het enige wat je kan doen, is lachen. Ik besef dat we haar ondeugd doen groeien, maar ik ben hulpeloos hierin en heb soms het gevoel dat ik alleen maar kan toekijken hoe haar karakter zich verder ontwikkelt. Ook dat vind ik ergens mooi, dat zij in staat is mij daartoe te ‘dwingen’. Misschien denken wij als ouder wel dat onze invloed veel groter is, dan deze daadwerkelijk is. Mirre laat ons in ieder geval weinig keus. Er rest ons niet veel anders dan naast het ‘goede’ voorbeeld, vooral veel liefde te geven en verder haar met nieuwsgierigheid te volgen.

Niet slaan, niet schreeuwen, niet…

010415

Zoals waarschijnlijk in zoveel huishoudens met kinderen, hebben ook wij de regel dat je wel boos mag worden op elkaar, maar dat je elkaar geen pijn doet. Onze kinderen hebben het daar allebei moeilijk mee. Jip weet van gekkigheid soms niet hoe hij met zijn plotselinge boosheid om moet gaan (goh, het lijkt zijn moeder wel) en Mirre zet het bewust in: zij heeft ontdekt dat slaan en knijpen een heel effectieve manier is om doelen te bereiken. Ik vind het erg lastig om er niet meteen bovenop te springen – figuurlijk dan – wanneer mijn kinderen elkaar in de haren vliegen. Rustig blijven is een grote uitdaging op zo’n moment. Aandacht geven aan het slachtoffer in plaats van aan de dader is nog steeds geen eerste natuur geworden van mij en ik kan soms zelf erg boos worden als ze elkaar wéér te grazen nemen. Hoe vaak heb ik niet gezegd dat ze wel boos mogen zijn, maar niet mogen slaan, schoppen, etc.? Groeien ze hier ooit overheen of sta ik dit nog te roepen als ze vijftien en zeventien zijn? Ik heb geen idee, maar het fysieke geruzie maakt me af en toe radeloos. Deze week realiseerde ik me, met het schaamrood op de kaken, dat er vooruitgang is gekomen, zonder dat ik het gemerkt heb. Ik rekende Jip af op iets dat ik voorheen stimuleerde. Het is meerdere malen voorgekomen dat ik zei: “Jip, hou toch eens op met slaan en duwen. Gewoon ophouden! Je mag boos zijn, echt waar. Schreeuw, stamp, sla op een kussen, roep mij, doe iets, maar laat Mirre met rust!” Vanuit zijn fysieke agressie gezien, leken mij alle andere manieren van boosheid uiten aanvaardbaar. Van de week werd Jips nagebootste autorace ernstig verstoord door zijn zus. Hij raakte hierdoor zwaar gefrustreerd. Ik benoemde zijn frustratie en sprak daarbij de wens uit dat hij deze frustratie misschien met wat minder lawaai zou uiten. Ik schrok. Dat verzoek heb ik, geïrriteerd als ik was, volgens mij eerder bij hem neergelegd. Leert het mannetje zich fysiek te beheersen, gaat zijn moeder hem de volgende beperking opleggen in het uiten van zijn woede. Daar wordt hij vast niet beter van. Onbewust heb ik mijn grenzen verlegd van wat acceptabel is. Heb ik nou een eerder een verkeerd voorstel gedaan, en had schreeuwen niet als redelijke woede-uiting in het rijtje moeten staan, of moet ik het loslaten en er gewoon blij mee zijn dat hij staat te schreeuwen in plaats van te slaan?

Met gelijke munt betalen?

200815
Heel even kwam gisteren het zonnetje door en ik leg meteen mijn benen op de tafel voor me. We zijn bij opa en oma op de camping en Jip speelt met de kroonkurken, die in een groot blik zijn verzameld. Op een gegeven moment wil hij passeren. “Mama, doe je benen eens omhoog.” “Betalen, Jip,” zeg ik zonder mij te verroeren. Jip kijkt me vragend aan. “Het kost twee muntjes. Als jij mij twee muntjes betaalt dan gaat de brug open.” Ik wijs naar de kroonkurken in zijn hand. Jip vindt het een goed idee. Hij gaat wel vier keer onder de brug door en betaalt telkens braaf twee muntstukken. Als hij er klaar mee is, wil hij de kroonkurken terug hebben. Ik zeg: “Nee, daar heb je net mee betaald, die zijn nu van mij. Je kunt ze wel terugverdienen.” Jip blijft me afwachtend aankijken. Vervolgens geef ik hem een aantal opdrachten: drinken voor mij inschenken, luisteren of Mirre al wakker is, de vliegenmepper pakken, de kopjes naar de keuken brengen. Jip heeft in no time al zijn muntjes terugverdiend. Het was een leuk spelletje en ik hoop dat ik hem de basisprincipes van ons monetaire systeem heb kunnen bijbrengen. Als oma een half uurtje later aan Jip vraagt of hij alle kroonkurken even wil opruimen en terug in het blik wil doen, dan laat Jip niet eens merken dat hij daar geen zin in heeft. Hij komt direct naar mij toe, werpt twee kroonkurken in mijn schoot en zegt: “Mama, hier twee muntjes, ruim dit even op.” Hij loopt direct weer bij me vandaan, mij in verbijstering achterlatend. Volgens mij is er meer aan de hand dan ‘met gelijke munt betalen’. Geld is macht, lijkt hij te denken. Doordat ik in de lach ben geschoten duurt het even voordat ik kan reageren. Ik vind het sfeertechnisch jammer om in te grijpen, maar voel het als een belangrijke opvoedkundige taak om terstond zijn beeld over geld en geldtransacties bij te schaven. Gelukkig blijkt Jip een goede gesprekspartner; na onderhandeling maken we van het opruimen een gezamenlijke klus.