Zelf doen!

240116

“Zef doehoen”, de woorden schallen tegenwoordig met regelmaat door ons huis. Op dit moment mag ik me niet bemoeien met onze tweejarige. Werkelijk alles wil ze zelf doen. Haar maillot of broek ophijsen na een toiletbezoek, zelf de dekens over zich heen trekken, een boterham smeren. Eigenlijk kan ik mijn natuur niet meer volgen, want ze steekt er altijd een stokje voor. Het vraagt geduld, want je moet gewoon wachten tot ze je wel vraagt of je neerleggen bij het feit dat het tien keer zo lang duurt. Gelukkig heb ik meestal genoeg geduld, want als we samen zijn, hoeven we meestal niet zoveel. Regelmatig weet ik ook dat ze er niet uit gaat komen, een punt slijpen bijvoorbeeld, heerlijk om naar te kijken. Soms weet ik ook dat het helemaal mis gaat, ze heeft bijvoorbeeld bedacht dat ze het drinken uit een pakje over wil gieten in een bekertje. Dat laat ik dan ook maar gebeuren. Na het experiment zitten zowel zijzelf als de tafel onder de appelsap, maar ze mocht het wel ‘zef doen’. Gisteren was ik met mijn zus in gesprek en onderwijl trok ik het cellofaan van Mirre haar toetje. Ze was iets tegen me aan het roepen, maar ik wilde even mijn zin afmaken. Ik gaf haar het toetje aan en ze was heel boos op me. “Nee mama, zef doehoen!!” Met een “oh sorry,” probeerde ik het cellofaantje tevergeefs terug te plakken. Toen ik haar daarna haar lepel aangaf, zodat ze kon eten, was ze weer boos. Demonstratief legde ze de lepel terug op de plek waar ik het had gepakt. “Nee, zef doen,” zei ze met een verwijtende blik en toen pakte ze de lepel weer op. Mijn zus en ik moesten lachen. Boos keek Mirre ons aan. “Nee grappig,” zei ze. We stopten prompt met lachen. Mirre heeft gelijk. ‘Zelf doen’ is een serieuze zaak. Het toetje ging er goed in en ik mocht helpen met de laatste restjes. Gelukkig maar, het gaat allemaal al snel genoeg, voor je het weet kunnen ze het echt allemaal zelf doen.

 

Veel te veel speelgoed

271215

Zoekplaatje: vind de kerstman

Hoewel Mirre wat meer aandacht begint te krijgen voor (het welzijn van) haar pop, weten we bij haar nog steeds niet precies wat ze nou leuk vindt. Niets kan lang haar boeien. Dan Jip, die kan bijna overal interesse voor opbrengen, maar hij heeft één echte passie, of eigenlijk twee: Cars en Planes. Ik kan me nog herinneren dat hij zijn eerste Carsauto kreeg. Het was Sheriff, we vonden hem op een rommelmarkt. Jip was zo ongelooflijk blij, echt door het dolle heen. Vanaf dat moment keken we regelmatig op rommelmarkten of we nog een auto uit de befaamde Disneyfilm vonden. Vaak vonden we niets en soms wel. Langzaam breidde hij zijn verzameling uit. In oktober was Jip jarig, daarna volgende Sinterklaas, toen volgde de postbode (die speelde na 5 december nog twee weken voor Sinterklaas met de vertraagde zendingen uit China) en ook met kerst hebben de kinderen hier en daar cadeaus gekregen. In Jips sociale omgeving zijn meer mensen (ook grote!) die weg zijn van Planes en Cars. Zij zijn net zo hard bezig met het compleet maken van de collectie van Jip. Met lede ogen kijk ik toe hoe er meer en meer van het spul in huis komt. Jip is nog even blij als in het begin, alleen de duur van de blijdschap is teruggelopen van enkele dagen naar enkele seconden. Hoe ga ik mijn zoon bijbrengen waar het echt om draait in het leven als zijn kleine wereld volstroomt met materie? Frans rekent erop dat hij dat vanzelf leert en dat het slechts een kwestie van tijd en levenservaring is. “Hoe was jij vroeger?” vraagt hij. Ja, als de speelgoedfolder rond Sinterklaastijd weer binnenkwam, waren mijn ogen ook groter dan de portemonnee van mijn ouders. En daar zat precies het verschil: ik kreeg het dus ook gewoon niet. Als ik één ding van de speelgoedfolder kreeg, was het veel.  “Feit blijft dat je denkt dat je blijer bent als je al die spulletjes hebt en erachter moet komen dat dat niet zo is,” zegt Frans. Waarschijnlijk heeft hij gelijk. Pas geleden zag ik kindertjes die meededen aan een psychologisch experiment. De kinderen waren ongeveer tien jaar en hadden het thuis helemaal niet breed. Voor hen werden twee cadeaus neergezet. Het eerste cadeau wilden ze zelf heel erg graag hebben, het tweede cadeau viel veelal onder de categorie gebruiksvoorwerpen, het was een cadeau voor de papa of mama: een koffiezetapparaat of een strijkijzer. Er werd de kinderen gevraagd een keuze te maken tussen de cadeaus. Ze mochten er maar één mee naar huis nemen. Je zag de wanhoop op de gezichtjes, het merendeel van de kinderen had het erg moeilijk met de keuze. Maar uiteindelijk kozen ze er toch voor om het cadeau voor de ouder mee te nemen. Tranentrekkend vond ik het, zo mooi. Is dit de levenservaring die de kinderen hebben? Loyaliteit? Of weten ze intrinsiek echt wel waar het om gaat? Ik hoop op het laatste en probeer sowieso maar te vertrouwen op de overtuiging van mijn lief.

Videofragment: https://www.youtube.com/watch?v=OnZfRh_7tzw

 

Waarom liegen over Sinterklaas?

031215

Het eerste jaar dat we Jip vertelden over Sinterklaas was hij twee jaar. “Kunnen we het niet nog een jaartje uitstellen?” had ik aan Frans gevraagd. Ik vond het vreselijk om tegen mijn ventje te moeten liegen. “Zo moet je het niet zien,” zei Frans, “het is toch hartstikke leuk? Denk eens aan je eigen Sinterklaastijd.” Ik had het heel leuk gevonden, die Sinterklaastijd, maar hoe was het geweest als ik het allemaal had geweten? Geen idee. Onlangs vertelde een vriendin van me dat ze het er bij haar op het werk over hadden hoe ze erachter waren gekomen dan Sinterklaas niet bestond. Ze realiseerde zich dat iedereen nog wist waar ze op dat moment waren en wie het ze had verteld. Ze besefte dat het voor al haar collega’s een belangrijke mededeling was geweest. Zelf, vertelde ze me, had ze nooit geloofd in Sinterklaas, omdat haar ouders haar niet voor de gek hadden willen houden. Ze had het fantastisch gevonden, elk jaar opnieuw. Ze droeg namelijk een enorm groot geheim met zich mee, dat ze deelde met alle grote mensen. Sommige kinderen waren bang van de Sint, zei ze. Ik niet, want ik wist dat het gewoon de slager uit het dorp was. En als er tijdens het spelen door een zwarte hand pepernoten naar binnen werden gegooid, wist ik dat het mijn moeder was en dan lachte ik om haar goeie grap. We deden wel mee aan de Sinterklaastraditie: af en toe zat er ineens iets in mijn schoen en de pakjesavond met het hele gezin was erg gezellig. Gewoon wat andere mensen ook doen, maar zonder het liegen erbij. Enkele dagen na ons gesprek las ik hoe heftig het inderdaad kan zijn als je als kind van je geloof afvalt: wat is nu wel waar en wat niet in de wereld? Of erger nog: volwassenen zijn niet te vertrouwen. Een deuk in je veilige basis, die je als kind weer moet herstellen. Mijn vriendin zei hierover: mijn dochter heeft er gelukkig nooit mee gezeten. We hebben het haar in de zomer verteld en niet rond Sinterklaas, ze moest er om lachen en we hebben samen alles blootgelegd. De laatste vragen kwamen misschien pas anderhalve week later. Zij is iemand van tradities, ze is gewoon haar schoen blijven zetten. “Tot ze het huis uit was!” schatert mijn vriendin bij de herinnering. “Toch,” zegt ze daarna serieuzer, “zou ik het nu anders doen, als ik kleine kinderen had. Ik zou eerder door laten schemeren dat het één groot toneelstuk is dat we samen spelen.” Het is even stil tussen ons. Ze blijft mij aankijken en ik haar. Ik besef hoe belangrijk de boodschap is die ze me geeft. Ik weet niet wat ik ermee ga doen en nu een kleine week later weet ik het nog niet, maar haar woorden klinken elke keer dat de Sint ter sprake komt in mijn hoofd. Ze heeft in mij iets (opnieuw) aan het wankelen gebracht door haar oprechte en kritische verhaal, en daar ben ik haar heel erg dankbaar voor. Waarom liegen over Sinterklaas? Hier in huis is de discussie inmiddels losgebarsten. Ik eis van mijzelf mijn eerdere antwoord op deze vraag nog eens grondig te bekijken en wellicht te herzien.