“Mama, ik was niet boos!”


“Boosheid is een thema in mijn leven” en “Ik weet zelf nog maar amper hoe ik met boosheid om moet gaan, laat staan dat ik het me kinderen kan leren,” zijn overtuigingen die ik nog steeds weleens hardop uitspreek. Met de boosheid gaat het beter dan ooit, eerlijk waar. Ik heb er hard aan gewerkt en eigenlijk word ik nog zelden boos. Ik geef gewoon veel eerder mijn grens aan. Daarnaast is Frans onlangs gestopt met werken (in verband met onze emigratie naar Frankrijk), dus ons leven is daardoor een stuk rustiger geworden. In de week van de menstruatie kan de woede me nog weleens overvallen, maar buiten die week ben ik tevreden over mijn huidige staat van zijn. Drie hoeraatjes voor mezelf! Maar dan de kinderen. Ik heb een dochter die de meest liefdevolle en warme persoon op de wereld kan zijn, maar plots kan omslaan in een hels monstertje. Waar komt dit vandaan? En waar gaat dit heen? En wat ik misschien nog moeilijker vond om te constateren, was dat mijn zoon een taboe heeft op boosheid. Onlangs complimenteerde ik hem, omdat hij voor zichzelf was opgekomen bij een vriendje. “De juf vertelde dat je goed boos was geworden,” zei ik met een glimlach op m’n gezicht. Jip ontkende stellig: “Ik was echt niet boos hoor, mama!” Ik probeerde hem uit te leggen dat het juist goed is, als je boos wordt als iemand iets doet wat jij niet leuk vindt. “Daar is boosheid voor bedoeld,” legde ik hem uit. Jip kon dit niet geloven en bleef herhalen dat hij niet boos was geworden op zijn vriendje Bart. Het zou natuurlijk een definitiekwestie kunnen zijn, maar sindsdien probeer ik wat meer nadruk te leggen op de functie van boosheid. Tegelijkertijd roep ik hard: “Stop!” als hij zijn zusje aanvliegt. Om vervolgens te vertellen dat boosheid mag, maar dat we dat anders uiten. “We stampen bijvoorbeeld heel hard met onze voeten op de grond of slaan met onze vuisten in de bank.” Ja, ja, de moeder van Jip kan lekker kletsen. Het eerste signaal is dat wat hij doet niet mag en vervolgens krijgt hij er een vage boodschap achteraan. In de vijf jaar die Jips leven telt, heeft hij zijn moeder nog nooit zien stampvoeten als ze boos is, ook slaan in een kussen heeft zijn moeder nog nooit gedaan. Nee, ze schreeuwt of sist tussen haar tanden door en in het ergste geval grijpt ze hem hardhandig bij de arm. Als zijn moeder niet meer boos is, komt ze hem steevast vertellen dat ze niet zo boos had moeten worden. Tja, hoe in vredesnaam kan een kleuter uit bovenstaande opmaken dat boosheid een geoorloofde emotie is ?…

Met dank aan Niemand

“Hee liefje, wakker worden,” zachtjes raak ik de benen van Jip aan. Mijn vijfjarige zoon ligt diep weggedoken onder de dekens. Langzaam komt er wat beweging in hem. Met tegenzin ontwaakt hij uit zijn slaap. Ik heb het licht op zijn kamer aangedaan en rommel ondertussen wat in zijn kast. Jip is overeind gaan zitten en wrijft in zijn ogen. Ik knuffel hem nog een keer en hij legt zijn hoofd tegen mijn schouder. Als hij weer los van me komt, laat ik hem zien welke kleren ik voor hem heb uitgekozen. Hij lijkt tevreden. Tja, als de onderbroek van ‘Cars’ is, kan het eigenlijk niet meer stuk. Althans dat dacht ik. Toen ik hem met aankleden wilde helpen, liet hij door het wegtrappen van mijn armen weten dat hij niet wilde. Ik sprak hem op strenge toon toe en probeerde het nogmaals. “Nee mama, ik wil niet!” “Wat wil je niet?” vroeg ik. “Ik wil geen kleren aan.” “Wil je dan in je pyjama naar school?” “Nee, ik wil helemaal niets!” antwoordde Jip. Daar kon ik wel inkomen. Er zijn ook veel ochtenden waarop ik helemaal niets wil, behalve terug naar bed en weer gaan slapen. Toch probeerde ik het nog een keer bij Jip: “Maar we zullen toch even de kleren aan moeten doen. Zal ik het doen, of doe je het zelf?” gaf ik hem de keuze. “Helemaal niemand mag mij aankleden!” riep mijn zoon boos. “Oh oké,” zei ik en liep weg. De deur van zijn kamer deed ik dicht, om deze anderhalve seconde later weer open te doen. “Hallo,” zei ik met donkere stem en liep met een uitgestoken hand op Jip af. “Wie ben jij? Ik ben Niemand.” Jip keek mij meewarig aan. “Ja, ik ben dus Niemand en ik hoorde dat ik je kleren aan moest doen. Niemand mag mij aankleden, heb je gezegd. Nou, hier ben ik dan!” Ik pakte zijn broek en draaide hem drie keer op z’n kop voordat ik zogenaamd het idee had dat ik hem goed hield en schoof hem probleemloos over Jip zijn benen. Ondertussen had hij de grootste lol. Toen zijn kleren aan waren, vroeg hij of ik weer gewoon mama kon zijn. Dat wilde ik maar al te graag. In mezelf dankte ik Nuon, want zonder de reclame van een paar jaar geleden, was ik hier misschien nooit opgekomen.