De lading is eraf

250216
We zijn bijna een maand verder sinds ik ‘uit het drama’ van woede ben gestapt. Zou ik echt een nieuwe fase in mijn leven zijn binnengegaan? Heb ik vaarwel gezegd tegen de emotie die mij zo in de greep had? Nog steeds vind ik het een raar idee. Het is zelfs wennen. Waarschijnlijk komt dit doordat de boosheid onderdeel was geworden van mijn identiteit. Dat ontdek ik nu. Dat ik dan zelf daadwerkelijk getransformeerd zou zijn, voelt onwennig, bijna onwerkelijk. Mijn docent (de persoon die mij wees op het drama) beweert dat ik het achter me heb gelaten. “Je bent er nu uit. Dus je weet nu dat op het moment dat je er weer in gaat, je er opnieuw weer uit kan.” Hij heeft gelijk. Het thema woede, zoals het tot nu toe in mijn leven is geweest, is dus sowieso ‘verleden tijd’. Wat is er veranderd? Ik word nog steeds weleens boos. In de afgelopen maand heb ik ook nog weleens iets tussen mijn tanden door gesist, maar toch is het niet meer zoals het was. Kort samengevat kan ik zeggen: de lading is eraf. Misschien wel de belangrijkste verandering hierin, is dat ik ’s morgens niet meer opsta met de gedachte dat ik vandaag weer mijn best ga doen een goede moeder te zijn. Daarnaast raak ik minder gefrustreerd als een situatie ontspoort of dreigt te ontsporen. Ook volgen er geen zelfverwijten als ik wel een keer boos word. Tenslotte heb ik geleerd om me bij (opkomende) boosheid gewoon af te zonderen. Ik geef geen uiting aan de boosheid, ik stop haar niet weg, maar laat haar er gewoon zijn. Wat er dan gebeurt: ze verdwijnt. In feite komt het hierop neer: de gekmakende gedachten zijn verdwenen. Ooit trok in een inzichtskaartje met deze spreuk: “Ik ben bereid de gehechtheid aan pijn op te geven.”  Gehecht aan pijn? Ik kon het me bijna niet voorstellen. Alsof ik het graag wilde!!! Nu lees ik het net iets anders, meer als een verbondenheid of misschien zelfs een verbintenis, die ik ooit ben aangegaan met mijn levensthema woede. Dit heb ik nu opgegeven. En dat voelt een beetje als een scheiding, door het ervaren van dit gevoel, weet ik nu dat het dus inderdaad een verbintenis was. Maar het opgeven is heel fijn, want nu pas merk hoeveel energie de woede al die tijd van me vroeg. Ik heb dus meer energie gekregen en voor de woede is een gevoel van bevrijding en vooral vreugde in de plaats gekomen. Het is goed zo. Of eigenlijk bijna. Er rest nog een gevoel dat ik dankbaar afscheid moet nemen. Want we zijn niet voor niets zo lang samen geweest. Een beetje erkenning is wel op zijn plaats ;-).

Negeren van gedrag

Stamptekeningetje

“Ik heb besloten het maar weer eens te negeren,” zegt Frans als Jip om niets weer in de kramp schiet. Althans dat is ons oordeel. We zitten gezamenlijk aan de eettafel. Mirre heeft net besloten om een hoop herrie te maken door met een beker op tafel te slaan. Voor Jip is de makkelijkste manier om te zeggen dat hij het onplezierig vindt, het op een hard gehuil zetten. Ik zeg: “Jip kom op. Ik kan met voorstellen dat dit niet fijn is, maar als je dat aan Mirre uitlegt, dan houdt ze echt wel op.” Het is echt waar. Als – wie dan ook – oprecht aan Mirre aangeeft wat hij wel of niet wil, dan is Mirre niet de moeilijkste. Ze zal altijd overwegen of het verzoek niet in strijd is met haar eigen belangen of ijzersterke wil, maar als dat niet het geval is, voldoet ze me alle liefde aan de wensen van een ander. Op een of andere manier lukt het ons mannetje niet om dit tussen zijn oren te krijgen, hij reageert primair op zijn overprikkelde brein en laat een luid gekrijs horen. “Ik vind dat we hem moeten proberen te begeleiden hierin,” zeg ik tegen Frans. “Het helpt toch niet,” zegt Frans. “Hij zal op een andere manier moeten leren dat dit gedrag hem niet verder gaat helpen. Als hij zich een andere manier van aandacht vragen aanleert, zal ik hem onmiddellijk te hulp schieten. Ik ga hier niet meer op reageren.” Dan weet ik ook niet meer wat te zeggen. Misschien heeft Frans wel een punt. Jip ‘piept’ bij mij veel meer dan bij Frans en ik weet niet of hem dat eigenlijk wel goed doet.
Negeren is ook een vorm van straf. Het is in ieder geval ‘niet erkennen van wat er speelt’ bij het kind. Maar is het nodig om als ouder voor elke moeilijkheid – hoe klein dan ook – erkenning te geven? Het is vast niet verkeerd om je kleuter af en toe in zijn eigen ongerief te laten. Misschien gaat hij dan zelf meer nadenken. Weet je wat? Ik ga er niet meer over nadenken. Frans doet het op zijn manier en ik op de mijne. Dan maakt Jip het allebei mee en kan hij er zijn voordeel mee doen.

Waarom straffen

Vraag maar aan papa

200216

Als kind had ik een vader die alles wist. Wanneer ik iets wilde weten (over geschiedenis, wiskunde, de natuur, het maakte niet uit), ik kon bij hem terecht. Mijn vader was een wandelende encyclopedie en dat was hij al ver voordat internet bestond. Voor mij was het de normaalste zaak van de wereld. Vroeger had ik het idee dat alle vaders zo waren en als je moeder ergens geen antwoord op had, dan wist je dat je bij je vader te rade kon gaan. Toen ik ouder werd, ontdekte ik dat het hebben van een grote algemene kennis niets mannelijks was, maar typisch iets van mijn vader. In onze familie komt het vaker voor en het blijkt niet genderafhankelijk te zijn. Ook heb ik ontdekt dat hij weleens wat verzon als hij het niet wist, zo heb ik lang gedacht dat de ‘groengele tjiftjaf’ echt bestond en kon ik opgelucht ademhalen toen bleek dat het gat in de ozonlaag wél weer kon herstellen, maar dat is een ander verhaal. Zelf heb ik niet veel parate kennis. Ik sla simpelweg te weinig op. Natuurlijk doen onze kinderen regelmatig een beroep op mijn kennis. Als ik nu iets niet weet, dan zeg ik het gewoon tegen ze. Gelukkig hebben ze – wat dat betreft – een vader net als de mijne, dus ze komen niets te kort. En anders hebben we internet nog. De oorzaak ken ik niet, maar Jip neemt niet alles klakkeloos van mij aan. En als onze kleuter mij niet gelooft, gaat hij naar zijn vader. Dat heb ik lange tijd erg irritant gevonden. Tegenwoordig zie ik er steeds meer de voordelen van in. Eigenlijk belanden Jip en ik nooit meer in een onzinnige discussie door het rotsvaste vertrouwen dat hij in zijn vader heeft. Want als Jip bijvoorbeeld stellig beweert dat de stoel van ijzer is gemaakt, terwijl het overduidelijk kunststof is, of dat ik zeg dat de afgebeelde groente ‘snijbiet’ is en hij heeft er zijn bedenkingen bij, dan konden we makkelijk in een welles-nietes belanden. Uiteindelijk eindigde ik de twist dan met woorden als: “Het is zoals ik het zeg. Punt uit. Dat heb je maar aan te nemen.” Of iets van die strekking. Nu zeg ik: “Weet je wat? Vraag het aan je vader.” Het gesprek is daarmee afgesloten. Het is misschien wel jammer dat hij mijn antwoorden niet zonder meer als waarheid beschouwt, maar het is nog treuriger om daarover te gaan brommen.200216