Gewoon geen zin om er iets van te zeggen

221215 3221215 1 221215 2

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De situatie: een klein meisje van 2 jaar met een veel te grote rugtas op haar rug, wil niet lopen en is van plan om in de wandelwagen te klimmen. Ik aanschouw de situatie en tegen beter weten in, probeer ik haar bij te brengen dat ze de rugtas beter even af kan doen, omdat het vast niet lekker zit. Klein meisje laat meteen weten dat wie aan de rugtas komt, aan haar komt. “Oké, oké,” reageer ik, “dan ga je toch lekker zo in de wandelwagen zitten, dan merk je het vanzelf.” Ik heb geen zin om hier een punt van te maken en dat doe ik dus ook niet. Klein meisje klimt in de wandelwagen en lijkt totaal geen hinder te ondervinden van de grote tas op haar rug. Mooi. Geen strijd ervan maken, pakt goed uit. “Wie niet horen wil, moet maar voelen,” klinkt wat zwaar hier, maar feit is dat moeder de vrouw het gewoon los laat en klein meisje kan zelf ervaren hoe prettig of onprettig het is. Helaas maak ik ook regelmatig een situatie mee waarin klein meisje de grenzen opzoekt of eroverheen gaat, (soms heeft ze het zelfs niet eens in de gaten,) en dat ik dan geen zin heb om er iets van te zeggen. Bij voorbaat word ik al moe van het idee van een strijd en ik sluit gewoon mijn ogen voor de situatie. Neem vandaag: klein meisje heeft een bekertje warme chocolademelk, een beetje slagroom en wat pepernoten gekregen. Er staan zes koppen heerlijke chocolademelk op tafel en alles wijst erop dat we een gezellig momentje met het hele gezin hebben. Klein meisje valt als eerste aan op al het lekkers. Ze bedenkt vervolgens dat pepernoten met slagroom misschien wel lekkerder zijn dan kale pepernoten en daarna bedenkt ze dat pepernoten met slagroom gedoopt in de chocolademelk misschien nog wel lekkerder zijn. Het wordt een grote smeerboel. Ik aanschouw het wederom en twijfel: nu ingrijpen en dus vertellen hoe het wel en niet moet, een doekje halen om de tafel en klein meisje schoon te maken, klein meisje in de weerstand en gezellig chocomel-moment verstoren, of simpelweg niets doen. Ik besluit het tweede, want ik heb gewoon geen zin om er iets van te zeggen. Ik geef toe het korte termijn effect van niet consequent zijn, is voor mij minstens zo verleidelijk als een kop warme chocolademelk met slagroom.

Dat kan ik niet!

170115
“Dat kan ik niet,” zegt Jip of “Kanne nie,” zegt Mirre. Slechts af en toe denk ik dan: “Nee, dat snap ik, zal ik het even doen?” Als Mirre voor haar bedje staat en erin wil, dan heeft ze mij nodig om haar erin te tillen, logisch. In andere situaties gaan we het samen proberen, schoenen aandoen bijvoorbeeld, maar meestal is er meer aan de hand als ze zeggen dat ze iets niet kunnen. 1) Ze hebben er gewoon geen zin in. Deze eerste ‘kan-ik-niet’ kan ik erg irritant vinden. Dat ze op deze leeftijd al met een smoesje komen, omdat ze het niet zelf willen doen: een papiertje in de prullenbak gooien bijvoorbeeld of Jip die ineens de gordijnen niet meer dicht kan trekken. Soms kan ik het gewoon laten, of ik kan benoemen wat ik denk dat er aan de hand is, maar er kan gemakkelijk een welles-nietes ontstaan: “Natuurlijk kan je dat wel.” “Niet waar!” “Wel!” Pffffff….. 2) Ze willen aandacht. Als Jip zijn kleren ineens niet meer zelf aan kan doen, dan wil hij graag dat ik me met hem bezighoud. Bij deze ‘kan-ik-niet’ benoem ik wat ik denk dat er echt aan de hand is en ga ik hem meestal de aandacht geven die hij wil. 3) Ze zijn onzeker. Deze is de meest complexe en gevoelige. Ik zou hier wel 3a, 3b en 3c van kunnen maken. Ze zijn onzeker omdat ze denken dat ze het niet kunnen. Bijvoorbeeld twee stukjes hout aan elkaar maken met hamer en spijker. Logisch en helemaal oké. Erger is dat ze denken dat ze het niet kunnen, maar dat ze eigenlijk vooral bang zijn voor het oordeel dat daarop zit. Een moeilijke puzzel leggen zou een voorbeeld kunnen zijn. Jip heeft het gevoel dat hij dat goed moet doen. Dit kan komen door te veel beloningen eerder, waardoor hij het idee heeft aan verwachtingen te moeten voldoen. Hierin werkt benoemen en inleven ook best aardig. De laatste in de categorie ‘onzekerheid’ is dat hij zich niet kan voorstellen dat hij dat ooit kan. Zo had ik het pas over het begrip ‘werk’ met Jip en wat hem leuk lijkt om te doen. “Mensen beter maken,” antwoordde Jip. Een nobel streven. Ik legde uit dat je dat op verschillende manieren kunt doen. Toen ik zei dat je ook medicijnen kunt maken, zei Jip: “Dat kan ik niet.” Ik zei natuurlijk dat ik dat begreep, maar dat hij dat kan leren. Hij bleef ‘nee’ schudden. Deze  laatste categorie ‘kan-ik-niet’ vind ik de allerlastigste om mee om te gaan. Misschien is het meer iets van mij dan van hem, maar ik denk dan: Zijn kinderfantasie zou hem overal moeten kunnen brengen waar hij wil en de wereld ligt aan zijn voeten, en dan beperkt hij zichzelf nu al. “Kan ik iets doen, moet ik iets doen hierin?” vraag ik mezelf af. Geen idee. Wie weet is “Kan ik niet,” wel het beste antwoord in dezen. Ik kan van alles willen, maar misschien ben ik niet veel meer dan een aanschouwer van zijn proces hierin.

Waarom bewust belonenWaarom straffen

De allermooiste engel, dat was ik!

181215
Dit jaar was de eerste keer, in mijn leven als moeder, dat ik met een kerstspel op school in aanraking kwam. Vanochtend, toen alle kleuters in de klas verzamelden, moesten de ouders even op de gang wachten. Dat deden we natuurlijk allemaal braaf en toen we na tien minuten de klas in mochten, waren alle kindjes verkleed en zaten ze in een halve kring in de klas. In het midden van de kring stond een ronde tafel met een kaarsje erop. Voor de kijkers rechts vooraan was de kribbe neergezet met het kindje Jezus er al in. Het was een heel mooi gezicht. Toen alle ouders zaten, op tafels en op de vloer, begon de juffrouw het kerstverhaal voor te lezen. Terwijl ze voorlas, instrueerde ze de kindjes. Zij liepen keurig een rondje om de tafel in het midden als ze ‘op’ mochten en zeiden of zongen eventueel hun tekst. Overal was aan gedacht: schaapjes, herders, een os en een ezel. Het was prachtig. Jozef en Maria waren goed gecast en zo ook mijn zoon. Hij was een engel ;-). Toen hij aan de beurt was, liep hij braaf en met een enorme concentratie zijn rondje. Hij was zó mooi. Met een buik vol vlinders keek ik naar hem. Toen ik hem na schooltijd kwam halen, zei ik tegen hem dat ik erg genoten had van het kerstspel en ook van zijn rol. “Jij was echt de allermooiste engel,” hoorde ik mezelf zeggen. Oeps, moest ik dit nu nog nuanceren? Ik zei tegen mezelf dat het vast niet zo erg is om een keertje zoiets te zeggen. Daarna vergat ik het snel. ’s Avonds, toen Frans naar het kerstspel vroeg, zei Jip:”Het was heel leuk. Ik was een engel. De allermooiste engel, hè mama?” “Uh…..,” zeg ik en besluit het nog maar een keer te bevestigen. Om nu te nuanceren of te ontkrachten, daar doe ik ook geen goed aan, vermoedelijk. “Ja, dat vond ik wel ja, jij was de allermooiste.” De volgende keer net zo intens genieten als vandaag, maar misschien toch maar wat meer bescheiden zijn in mijn reactie naar mijn zoon :-).

Waarom bewust belonen