Dubbel liggen met dubbele gevoelens

211115

Mirre is gewoon heel grappig. Ze rent de kamer door met een theedoek over haar hoofd en roept: “Woeh, ikke benne spook! Woeh!” Of ze loopt wijdbeens, als een kleine chimpansee, door de tuin, luid roepend: “Psssj, psssj, psssj…!” om aan te geven dat ze moet plassen. Ze trekt gekke bekken, maakt rare geluiden en weet precies hoe ze de lachers op haar hand krijgt. Haar broertje kijkt toe. Het overkomt hem telkens dat iedereen begint te lachen en dat het weer om zijn zus blijkt te zijn. In de meeste gevallen onderneemt Jip onmiddellijk actie: “Oh, het is blijkbaar grappig om met een theedoek over je hoofd rond te rennen, laat ik dat dan ook maar doen,” lijkt hij te denken. Ik vind het echt zo sneu voor ons mannetje. “Het is iets waar hij mee moet leren leven,” zegt Frans. Zowel Frans als ik waren niet de grappigste vroeger thuis. Ik kan me niet herinneren dat mijn zusjes dat wel waren, hoewel ik veronderstel dat het mijn jongste zus moet zijn, want die is dat nu in ieder geval overduidelijk. Frans heeft er als kind meer mee gezeten en gezocht naar een manier om ermee om te gaan. “Het gaat er uiteindelijk om dat hij ziet welke kwaliteiten hij wel heeft,” zegt Frans. Het is bijna letterlijk de tekst uit mijn bijbeltje van How2Talk2Kids. Daar gaat het inderdaad om, dat je kind zichzelf leert kennen, zijn kwaliteiten weet en daar tevreden mee is: “Ik ben goed zoals ik ben.” Als je me ’s nachts zou wakker maken en mij naar de kwaliteiten van Jip zou vragen, zou ik ze zo op kunnen noemen: “Hij is invoelend, breed geïnteresseerd, pienter, heeft oog voor schoonheid en een hartje van goud,” zou ik zeggen. Maar ja, wat koop je daar als kleuter voor als iedereen dubbel ligt om de maffe streken van je zus.

Wèh heb ik nou toch wir gezeed?

191115
Mirre heeft er een handje van om het bestek te laten voor wat het is. Waarom een lepel gebruiken als je ook met je handen kunt eten of het schaaltje zo aan je mond kunt zetten? Over de rozijntjes in de pap hebben we de meeste onenigheid. Mirre wil die er het liefste stuk voor stuk met haar vingertjes uitvissen. Zo simpel is het. Ik wil dat natuurlijk niet. Hoe bewuster ze haar lepeltje gebruikt, hoe minder ze knoeit en hoe minder werk ik na de maaltijd aan haar heb. Ik heb geen zin om straks de vla of de klontjes havermout uit haar haren te halen of haar jurkje, na zinloos gewreven te hebben met een doekje, toch maar weer in de was te gooien. Maar ja, ik kan hierover tegen haar klagen, maar Mirre is totaal niet gevoelig voor mijn argumenten. Soms kan ik dat accepteren en laat ik het gebeuren, op andere momenten roept haar gedrag irritatie of lichte frustratie bij mij op. Deze emoties uiten zich op een manier die mijzelf ten zeerste verbaast. Ineens ontsnappen er woorden uit mijn mond die mijn moeder vroeger gebruikte. Echt Brabantse woorden die ik in meer dan dertig jaar niet gebezigd of gehoord heb. Woorden als ‘dalken’, ‘dabben’ of ‘vuilakken’. Ik hanteer de term ‘vuile jatten’, of ‘plakjatten’, ook een leuke. Plotseling is de terminologie terug van heel lang weg geweest en hoewel ik normaliter redelijk ABN spreek, klinken deze woorden uit mijn mond net zo plat Brabants als bij mijn moeder vroeger. Ik vermoed dat ze niet typisch voor mijn moeder zijn, maar herkenbaar voor veel Brabanders en ik vraag me af hoe ze overkomen op niet-Brabanders. Want van beschaafd Nederlands is in ieder geval geen sprake. Waar hebben die woorden al die jaren verstopt gezeten? Ik heb werkelijk geen flauw idee, maar vol overgave vullen ze de ruimte, alsof ze nooit zijn weggeweest. Ik sta er versteld van, ben telkens even stil als er weer een dergelijk woord in mij opwelt. Mijn dochter is nog steeds niet onder de indruk, zij dalkt, dabt en vuillakt gewoon door, alsof het de normaalste zaak van de wereld is. En dat is het waarschijnlijk ook, net zo gewoon als het fenomeen dat je je moeder terug hoort in jezelf als je eenmaal kinderen hebt gekregen.

 

Een eigen plekje voor jaloezie

171115
“Jullie kunnen toch gewoon allebei bij mij zitten?” Achterlijke vraag, want ik weet het antwoord allang: “Nee, dat kunnen we niet!” Ik begrijp het niet en ik wil het niet begrijpen. Als je lekker tegen je moeder aan ligt, haar arm om je heen, misschien haar hand door je haar, hoe moeilijk is het dan dat aan de andere kant van je moeder je broertje of zusje dezelfde bejegening krijgt? Heel moeilijk blijkbaar, want zowel mijn zoon als mijn dochter vliegen elkaar in de haren als ik probeer op die manier mijn aandacht te verdelen. Voor mij is het sowieso lastig, omdat ik zelf niet zo bekend ben met jaloezie als emotie. Ik kan me niet herinneren dat ik die emotie ooit jegens mijn zusjes heb gevoeld. Als ik een van mijn kinderen voor mezelf alleen heb en ik bemerk dat hij of zij last heeft van jaloerse gevoelens, dan kan ik daar aardig in meegaan. Ik benoem aan Jip bijvoorbeeld hoe moeilijk het me lijkt als je zusje even alle aandacht krijgt, terwijl jij graag wil vertellen dat de auto’s na een doldwaze race over de bank, allebei de wedstrijd hadden gewonnen. Jip komt bij me en knikt. Hij voelt zich gehoord, dat weet ik zeker. Maar als ze allebei in mijn omgeving zijn en allebei mijn aandacht willen, weet ik me nog steeds geen raad. Ze vechten letterlijk om mijn individuele aandacht en ik kan alleen nog maar als een zotte kerstman “ho, ho, ho” roepen, terwijl ik ze uit elkaar probeer te trekken. Dan gaan ze allebei huilen en is het helemaal niet meer gezellig natuurlijk. Omdat ‘samen van mama genieten’ niet werkt, loop ik zelf maar weg, of kies ik uiteindelijk maar voor degene die als eerste bij me was en leg uit dat ik straks weer met de ander knuffel. Maar ja, echt knus wordt het dan niet meer. Ik zou het zo graag anders zien. Doe ik nou iets niet goed, is dit een fase of hebben we samen te leren leven met het gevoel dat jaloezie heet, en dat ook een graag een eigen plekje wil?