Oh, gaan we weer zo beginnen

011115Mirre heeft iets wat ik helemaal niet begrijp. Als ze boos is, tenminste ik interpreteer het als boosheid, dan wil ze wel bij me blijven, maar duwt me tegelijkertijd weg. Ze zit dus op schoot en huilt hard en als ik haar dan aanraak, streel of kus, dan duwt ze me weg. Ik snap er helemaal niets van, dat ze tegelijk de nabijheid wel en niet wil. Nu is Mirre al een paar dagen ziek. De eerste dagen gingen nog wel, ze hing alleen de hele dag bij mij of haar vader en was tot niks in staat. De laatste dagen is ze huilerig en heeft ze weer de energie om haar broer een tik te verkopen als hij te dichtbij komt naar haar zin. Soms hangt ze bij me op schoot en dan begint uit het niets het huilen en wegduwen weer. “Oh, gaan we weer zo beginnen?” Het floepte er gisterenavond uit. Ik had er zo geen zin in om weer – ik weet niet hoe lang – met een dreumes op schoot te zitten. die niks van me moet hebben. “Oh sorry Mirre,” zei ik daarna, “maar ik vind het zo moeilijk als je zo doet.” Ze trok zich er niets van aan en leek zich ook niets te hebben aangetrokken van mijn eerste zin. Opvoeden zonder straf gaat vooral over inleven in je kind en laten weten dat zijn gevoelens oké zijn. Tot het eerste ben ik niet in staat in dit specifieke geval, maar dat wil nog niet zeggen dat ik haar niet kan laten weten dat haar emoties er mogen zijn. Uiteindelijk wil ze toch weer een heerlijke knuffel ontvangen, dat heeft de ervaring me inmiddels geleerd. Het is voor mij zaak om geduldig te wachten tot de bui over is, want mijn geduld wordt echt wel beloond. Als er namelijk iemand goed is in knuffelen, dan is het mijn lieve kleine Mirre wel.

Waarom straffen

De mentale groeipijn van een bijna-kleuter

170115
Je hoeft niet eens te straffen, want de sociale omgeving (zoals bijvoorbeeld een passant in de supermarkt) deelt genoeg afwijzing uit. Ik heb een zoontje dat net vier is geworden. Het is een heerlijk mannetje en ik geniet volop van hem. Erg fijn vind ik dat, want voordat ik kinderen kreeg, had ik het niet zo op jongetjes van ongeveer 3,5 tot 5 jaar oud. Ze konden vaak zo ‘aanstellerig’ doen, op een overdreven manier aandacht vragen. Dat was mijn stellige overtuiging. Vanaf vijf jaar weten jongens dat dat niet de manier is en dan worden ze weer aandoenlijk. Toen Jip nog een dreumes was, had hij blond haar en grote bruine kijkers. Volop aandacht trok hij daarmee. Hij hoefde er alleen maar te zijn en mensen keken vertederd naar hem en zeiden lieve dingen. Geleidelijk is dat voorbijgegaan. Ik denk dat zowel hij als ik dat niet eens door hebben gehad. Het is meer een constatering die je op een zeker moment doet. Jip heeft nu dus de leeftijd bereikt waar ik vooraf een beetje voor vreesde. Hij doet inderdaad precies waar ik me vroeger aan kon storen bij andere kinderen; op sommige momenten haalt hij werkelijk alles uit de kast om aandacht te krijgen. Gelukkig voel ik alleen maar compassie voor mijn jochie. Dus wat doe ik? Ik glimlach naar hem. Ik probeer hem puur het gevoel te geven dat ik hem zie en dat hij goed is, zoals hij is. Want wat een gemis moet het zijn om niet meer automatisch lief en leuk gevonden te worden. Dat dit hem werkelijk een droevig gevoel geeft, werd van de week pijnlijk duidelijk, toen we met zijn drieën in de supermarkt waren. Mirre en Jip zaten allebei in de winkelwagen. Ik rijd met ze rond en een mevrouw passeert ons. “Dag lieverd, hallo,” zegt de mevrouw glimlachend tegen Mirre. Mirre lacht terug en zegt enthousiast “Koek! Koek!” tegen de mevrouw, terwijl ze een pak koekjes de lucht in houdt. De mevrouw lacht: “Oh, wat ben je een schatje,” en ze loopt weer verder. Jip, die het allemaal met lede ogen heeft aangezien, pakt wat voor het grijpen ligt in de wagen. Het worden de bananen. “Bananen! Bananen!” roept hij naar de mevrouw en hij houdt de bananen de lucht in. Er komt geen reactie. Zonder nog een keer achterom te kijken, loopt de dame in kwestie door. “Nou, die mevrouw moet ook naar mij kijken en tegen mij praten,” zegt Jip treurig. Ik voel zijn pijn. “Ja Jip, dat vind ik ook hoor. Het zou fijn zijn geweest als ze dat had gedaan.” Maar ze deed het niet, zoals zovelen dat niet meer doen of nog zullen doen. Mijn zoon snapt niet wat hij verkeerd doet. Waarom krijgt hij die aandacht niet (meer) en zijn zusje wel? Als groeipijn ook over mentaal leed zou gaan, scoort dit proces, inherent aan groter worden, – wat mij betreft – hoog in de orde van de groeipijnen.  Gelukkig is van groeipijnen bekend dat je er gewoon even doorheen moet, het gaat meestal vanzelf weer over.

Van generatie op generatie, de lijn van boosheid doorbreken

271015

Ik zie mezelf terug in mijn vader en zie Jip terug in mij. Wij kunnen alle drie ontploffen van boosheid. Als er levensopdrachten zijn voor de zielen op aarde, dan ligt die van mij in omgaan met mijn eigen boosheid. Ik denk dat mijn vader daar ook een opdracht had liggen en voor Jip ligt deze er denk ik ook. Zelf ben ik hard aan het werk om er mee om te leren gaan. Ondertussen probeer ik dat ook Jip daarin te begeleiden. Dat is enorm lastig. Ik ben zelf nog niet volleerd en probeer mijn zoon iets bij te brengen. Soms zie ik ons als onderdeel van het grote geheel. De lijn van woede kan ik nog tot in 1800 zoveel doortrekken en nu lopen Jip en ik nog rond op deze aardkloot, te worstelen met deze emotie. “Woede is eigenlijk geen echte emotie, hij is secundair,” zei pas iemand tegen mij. Boosheid betekent altijd dat er iets in je is geraakt. Ik ga daar ook altijd naar op zoek, maar zo scherp had ik het nog nooit gesteld. Op momenten dat het goed gaat met mij, dan zie ik mijn groei. Ik kan dicht bij mezelf blijven en dus dicht bij de primaire emotie: veelal de pijn van niet gezien worden. Nog niet zo heel lang geleden kon ik furieus worden van Jip zijn woede naar zijn zusje. Ik kon veel van hem hebben, maar dat niet. Waarom werd ik zo boos? Ook dit draaide puur om dat ik niet gezien werd. Hoe egocentrisch? Ik had namelijk het gevoel dat ik zo enorm mijn best deed om Jip zijn boosheid te reguleren, om zijn agressie bij zijn zusje vandaan te houden en dan nog viel hij haar aan! Wat deed ik er dan toe? Nu ik dat doorzie, haak ik niet meer aan op zijn boosheid. Het enige wat ik zeg is dat ik zijn boosheid echt begrijp, want dat het ook niet leuk is als je zusje dit of dat, maar probeer alsjeblieft niet te slaan of te duwen. “We doen elkaar in dit gezin geen pijn, Jip.” Ik kon varen op de hoop dat herhaling uiteindelijk een goede uitwerking zou hebben. En nu, sinds deze week, lijkt de geduldige aanpak zijn vruchten af te werpen. Mijn zoon is duidelijk zachter geworden in de bejegening van zijn zusje. Als hij fysiek wordt, zie je dat hij zich herpakt en een andere manier zoekt om zijn boosheid te uiten. Ik krijg meer en meer vertrouwen in hem. Dat zeg ik ook en hij voelt het. Mijn vader was al overleden toen ik het idee kreeg dat wij met zijn drieën, mijn vader, Jip en ik, aan de grote opdracht stonden om de lijn van woede, die van generatie op generatie is doorgegeven, te doorbreken. Ik weet niet of het zo werkt, maar het gevoel dat dit zo is, kan heel intens zijn. En als het goed gaat met Jip en mij, dan weet ik het met alles wat ik in me heb: het gaat ons lukken! Als een drie-eenheid voelt het, een enorme kracht, een sterk team, dat samen aan de levensopdracht werkt.
Dank je wel, mooie lieve papa.
Dank je wel, mooie lieve Jip.