We gaan alleen nog maar snoep eten

280315.1

Boodschappen doen met Mirre en Jip wordt steeds lastiger. Mirre wil niet meer in de kar zitten en zodoende lopen de kinderen met zijn tweeën door de winkel te sjouwen. Ze hebben tegenwoordig ook vaak allebei een karretje en er ontstaat meestal wel een ruzietje wie wat in zijn kar mag. Het vraagt een hoop opvoedkundige en creatieve vaardigheden om dit in goede banen te leiden. Toen alle boodschappen in onze karren lagen, liepen we langs het snoep. Mirre vindt ineens dat ze nog helemaal niet klaar is. Prompt laat ze haar wagentje los en spurt naar het schap met de felgekleurde verpakkingen. Ze grijpt naar het eerste het beste. Jip besluit zijn zus na te doen, het voelt alsof hij het mij extra moeilijk wil maken. Ik onderdruk de neiging om te zeggen dat we geen snoep kopen vandaag en zet meteen de fantasieknop aan: “Oh! Dat is lekker, hè?” zeg ik. De kinderen knikken verrukt. “Ja, dit is echt heel lekker. Weet je wat lekker zou zijn, dat we al deze snoepjes konden kopen en dat we dan alleen nog maar boterhammen met snoep zouden eten!” De kinderen roepen blij: “Jaaaa!” en Mirre zegt: “Deze! deze!” Ik zeg: “Ja, die! En weet je wat? Helemaal geen boterhammen meer! Alleen nog maar snoep.” Jip springt een gat in de lucht, zo’n goed idee vindt hij het. “Wow, dat zou echt heerlijk zijn, hè? Mama, ziet het ook wel zitten hoor.” Er valt een stilte. En nu? Om in de opgewekte energie te blijven hangen. Omhels ik ze allebei tegelijk. “Fijn hè, om zo te fantaseren?!” zeg ik en geef ze allebei een zoen. “Kom, we gaan naar de kassa.” Het zakje dat Mirre in haar hand heeft, leg ik terug en gezamenlijk lopen we naar de kassa. Mijn kinderen vrolijk en ik ook wel een beetje verbaasd. Dat het toch telkens weer zo goed werkt en ook bij Mirre die zo eigenwijs is. Ja, het verwondert mij nog steeds.

Waarom straffen

“Hé mam, kom eens uit je comfort zone!”

270915
De kinderen en ik waren uitgenodigd op een feestje in de straat; een buurmeisje werd vier jaar. De uitnodiging had plaatsgevonden via Frans, maar hij was zelf niet welkom: “Er zijn veel vrouwen met hoofddoek,” had mijn buurvrouw gezegd: “die voelen zich hoogst ongemakkelijk met een man erbij.” De volgende dag zie ik hoe het in de straat een drukte van belang is om het feestje voor te bereiden. Twee vrouwen met lange gewaden aan en een man sjouwen met eten en stoelen. “Oei,” denk ik bij mezelf: “een lange jurk dus, heb ik die wel?” Een paar uur later sta ik met twee kinderen in een overvolle huiskamer. Naast een hele hoop kinderen, is er welgeteld één dame met een hoofddoek en één oudere vrouw met een Marokkaanse jurk. De overige vrouwen hebben hun best gedaan om er aantrekkelijk uit te zien: veel make-up, borsten en billen zijn in strakke jurkjes gehesen en er wordt volop gedanst. “Uh…….?” Mijn twee kinderen hangen aan mijn gebloemde lange rok, die er plotseling meer uitziet om in de tuin te werken dan om in te dansen op een feestje. Ik kan me nauwelijks bewegen doordat de kinderen niet van mijn benen willen. Het benauwt heel erg. Ik voel me al niet zo op mijn gemak en Jip en Mirre maken het er niet beter op. Ik probeer ze te stimuleren om te gaan spelen, maar ze willen helemaal niets. Het gedrag herken ik goed, van hen en van mezelf als kind, maar het is nu wel erg extreem. Mirre laat me uiteindelijk los, maar Jip blijft. Inleven en zeggen dat het ook moeilijk is op zo’n feestje waar je niemand kent, helpt niet. Ik doe hem suggesties aan de hand: “Ga even in de schuur kijken, wat er is.” “Kijk een autootje, waar je op kan rijden.” “Je kunt met die jongen voetballen, kijk hij komt de bal aan jou geven.” Niets helpt, het lijkt juist tegenovergesteld te werken: hoe harder ik probeer, hoe minder hij wil. Hij gaat zelfs springen en huilen om kenbaar te maken dat hij niet wil. Bijna word ik er boos om. Maar dan besef ik dat er maar één ding op zit: accepteren dat er vanmiddag een bijna-kleuter aan mijn been hangt. Toen hij de tafel met snoep en chips ontdekte, was hij telkens een paar seconden weg om zijn bakje te vullen met lekkers, dat was het. Voor mijn neus werd er gedanst en ik zat er als een houten klaas bij te kijken. Toen de vrouwen even zaten uit te rusten, zei Jip ineens: “Mama, kom dansen.” Ik zei: “Jip, ik vind dat een beetje….” en toen slikte ik de woorden in. Al een uur probeer ik hem te stimuleren om uit zijn comfort zone te komen en nu stimuleert hij mij. Ik probeer hem al de hele tijd te zeggen dat hij niet verlegen hoeft te zijn en nu geeft juist hij mij de kans om te laten zien dat dat echt niet hoeft. We staan op en beginnen te dansen. De vrouwen joelen. Ze joelen nog harder als ik even later mijn vestje uitdoe, omdat het toch wel warm is. En ik lach, omdat ik vond dat ik Jip uit zijn comfort zone moest halen, maar dat hij de rollen fijntjes heeft omgedraaid.

“Wat een vervelende kinderen zeg”

250915

Vandaag liep ik in het bos met mijn twee kleine doerakken. Nou ja, liepen: Jip zat op zijn loopfiets en Mirre zat overwegend op mijn schouders, maar à la. We hadden het leuk, volgden het kabouterpad dat is aangelegd voor kinderen en vonden hier en daar al mooie paddenstoelen. Toen de wandeling klaar was, had ik wel zin in een drankje. Aan de rand van het bos zit een aardig café. Het heeft een beetje een oubollige inrichting met meubels van hout die voorzien zijn van een dikke hoogglanslaklaag en de kleuren zijn verder overheersend oud roze met een vaal lichtgroen. Voor een chocomel met de kinderen is het prima te doen. Even later stapten we er binnen. Het interieur bleek compleet veranderd: modern grijs-bruin met zwarte armaturen en ‘hippe’ gloeilampen, waarvan het kooldraad mooi zichtbaar is. Gelukkig was het publiek niet veranderd: veel grijze koppen en hier en daar een tafeltje met wandelaars. Wat mij betreft kon de cafébezoek doorgang vinden. Zowel ik als Jip en Mirre hebben genoten van de chocolademelk en het extra koekje dat we erbij kregen. Geen geschreeuw, gemopper, gezeur, alleen gezellig kletsen en twee liedjes op fluistertoon. Toen ik ging afrekenen, sprongen de kinderen van een afstapje af, stapten er weer op en sprongen er weer af. Ze hadden er lol in, maar gingen meteen mee, toen ik dat vroeg. Ik was trots op mijn kinderen. Wat een heerlijke wezentjes zijn het toch. Bij het naar buiten gaan, begon Mirre haar kont een beetje tegen de krib te gooien. Ze wilde niet mee en ging boos tegen een muur staan. Ik zeg: “Jip, pak alvast je fiets maar en ga naar buiten, dan komt Mirre wellicht vanzelf.” Jip deed wat ik hem vroeg. Hij reed op zijn fietsje naar de voordeur, een man en een vrouw moesten even inhouden toen Jip kwam aangereden. Slaakte één van hen nou een zucht? Ik besloot dat ik het me verbeeldde, de mensen liepen door de schuifdeuren naar buiten toen Mirre aan kwam hollen en bij elke stap luidkeels een soort  ‘na, na, na, na, na’ liet horen. Ik zei ‘ssssssst’ voor de vorm. Ze liep mee en ik was allang tevreden. De entree van het pand ligt op anderhalve meter hoogte, je kunt kiezen voor de trap of voor de ‘hellingbaan’, zoals dat zo mooi heet. Zowel de man en de vrouw als Jip waren bij de uitgang naar links gegaan; de afrit voor rolstoelen. Heel erg leuk natuurlijk voor Jip. De mensen waren bijna beneden en Jip stond nog bovenaan de afrit: klaar voor de supersnelle afdaling! Op het moment dat hij afzet, zijn de mensen bijna beneden. Ineens hoor ik de man zeggen: “Wat een vervelende kinderen zeg.” Mijn ogen worden groot. Ik denk: “Hoorde ik dat nou goed?” en ik denk ook: “O jee, als dat maar goed gaat,” want Jip roetsjt knalhard naar beneden op het fietsje. Hij raakt de mensen net niet.  De vrouw – die bevestigend heeft geantwoord -, stapt opzij voor Jip. Ik vraag me af of het nodig was geweest, maar het was kantje boord, net geen botsing gelukkig. Vanaf dat moment heb ik een knoop in mijn buik. Jip en Mirre gaan beiden nog minimaal vijf keer joelend van de ‘berg’ af. Beneden sta ik, tot ik het niet meer volhoud, de knoop in mijn buik wordt te groot. Ik begin er misselijk van te worden en wil weer gaan lopen; mijn zinnen verzetten. “Kom kinders, we gaan naar de auto.” Als we daarheen lopen, vraag ik me af waarom ik zo geraakt ben. Omdat iemand iets lelijks over mijn kinderen zegt? Omdat het eigenlijk over mij gaat? Omdat iemand zoiets kan zeggen puur en alleen omdat hij wíl raken? We passeren kabouter nummer 2 voor de tweede keer vandaag, deze kabouter heeft net nog een uitgebreide knuffel van Jip gehad en kijkt me nu met een meewarig blik aan. “Maak je toch niet zo druk joh!” lijkt hij te willen zeggen. Pas na tien minuten mijmeren, bedenk ik dat de uitspraak helemaal niets zegt over mij of mijn kinderen. Deze mensen ervaren mijn kinderen als vervelend en dat zegt meer over hen dan over mijn kinderen. De knoop in mijn buik wordt iets milder. Hopelijk komt er geen volgende keer, maar als het ooit nog eens gebeurt, kan ik vanaf heden adequater op de situatie reageren. Dit laat ik geen tweede keer over mijn kant gaan.