Bemoei ik me ermee?

030515

Er zijn weinig dingen waarin wij structuur hebben, maar eten doen we om zes uur ‘s avonds. Het lukt niet elke dag, maar toch wel heel erg vaak. We eten gezamenlijk, meestal twee en soms drie gangen. Wanneer we klaar zijn met de maaltijd is het ongeveer kwart over zeven. Het komt voor dat de kinderen nog even mogen spelen, maar meestal gaan ze direct na het avondeten naar bed. Voor ons is het het fijnste als we meteen door kunnen pakken: tafel afruimen, vaatwasser inruimen, keuken poetsen kinderen naar bed, kamer opruimen en dan eindelijk op de bank ploffen met een kop koffie. Als ik eenmaal ‘Kinderen naar bed!’ heb gezegd, of iets van dien aard, dan zou ik het liefst willen dat ik met mijn vingers kon knippen en dat ze er dan in lagen. De werkelijkheid is anders, vooral omdat er altijd weerstand komt. Vandaag begon Jip: “Nee mama, ik ga jou op bed leggen. Hup, luier aan, pyjama aan!” Ik vond het echt wel grappig, maar had de fut niet om te lachen. Ik perste er een glimlach uit en zei dat ik Mirre ging uitkleden en dat hij het zelf even moest doen. Jip bleef stellig: “Nee, dat kan niet, want ik moet jou naar bed brengen. Wacht, nee, ik doe papa wel en dan mag Mirre jou doen.” Het klonk nog steeds grappig, maar ik was totaal niet in de stemming en mijn vermoeide hersens waren niet in staat om in de creativiteit van deze bijna kleuter mee te gaan. Dat vond ik sneu voor mijn mannetje; bedenkt hij ook eens iets, doet zijn moeder niet mee. “Jip, alsjeblieft,” zei ik, “zullen we morgen dit spelletje doen?” Toen kwam Frans, die minstens zo moe was als ik, met de ‘naar-bed-boodschap’. Jip schoot meteen weer in de weerstand en zijn vader maakte daar onmiddellijk korte metten mee. “Jip het wordt tijd dat je weer eens gewoon luistert, elke avond dat gejammer als je moet slapen. Klaar daarmee.” Hij pakt Jip op en neemt hem mee naar boven. Ik kijk het met lede ogen aan. Moet ik nu iets doen? Voor mij ging het net iets te snel, was dat nou wel nodig? Ik heb echt medelijden met mijn ventje: zal hij nu geen verhaaltje krijgen van zijn vader en ook geen liedje? Moet ik nu achter vader en zoon aan naar boven om te redden wat er te redden valt? Het opnemen voor mijn zoon, omdat ik vind dat hij dit niet heeft verdiend? Ik twijfel en omdat ik het niet weet, laat ik het maar voor wat het is. Als Mirre klaar is om te gaan slapen, loop ik samen met haar nog even langs mijn knul. Hopelijk kan ik hem nog een beetje een fijn gevoel te geven, voordat hij gaat slapen. Klaar voor de nacht zit hij op zijn bedje, helemaal blij dat wij nog even een kus komen geven. “Waar is papa?” vraag ik. “Papa is even een boek halen,” zegt Jip blij. “Frans had zichzelf vast ook een beetje te streng gevonden,” denk ik bij mezelf. Frans komt een paar seconden later ontspannen binnen met een glas water en een boek. Ik zie hoe hij Jip over zijn bol aait als hij zijn water drinkt. “Welterusten!” zeg ik nog een keer en loop de slaapkamer uit. Gelukkig had ik me nergens mee bemoeid, want daar was het vast voor niemand niet leuker op geworden :-).

Waarom straffen

Ben je twee, dan zeg je “Nee!!”

Klein boos meisje

Ben je twee, dan zeg je “Nee!!” Zo’n standaardtekst die ik altijd interpreteerde als een verklaring waarachter ouders zich konden verschuilen. “Ik kan er niets aan doen hoor, dat mijn kind zo tegendraads is,” hoorde ik de achterliggende boodschap. Nu heb ik zelf een kindje van bijna twee, nog drie nachtjes slapen en het is zover. Mirre is niet vaak onderwerp van mijn blogs geweest. Haar sterke wil maakt het niet altijd gemakkelijk voor ons, maar tot nu toe was er redelijk mee om te gaan. Sinds een paar dagen is er iets veranderd. Ze heeft haar meest gebruikte woord ‘ja’ verwisseld voor ‘nee’, haar sterke wil is een sterke onwil geworden. De onwil is onhandelbaar; het enige wat er op dat moment is, is namelijk weerstand. Na een aanleiding die mij vaak totaal is ontgaan, stort ze zich ter aarde. Er volgt een klagelijk ‘nee’. Daarna maakt het niet meer uit wat ik zeg. “Moet mama hier blijven?” “Nee!” “Moet mama weggaan?” “Nee!” Als ik haar aanraak, doet ze of ik een vreselijk monster ben. Desondanks heb ik het gevoel dat ik bij haar moet blijven, fysiek en emotioneel. Dat is het enige wat ik moet en kan doen: afwachten. Compassievol, maar reddeloos en onbeholpen afwachten. Volgens mij is er geen andere, beter passende, reactie. Gelukkig is de bui meestal zo voorbij. Gisteren bij de Albert Heijn had ze voor het eerst publiekelijk zo’n bui. Het boodschappen doen was ontspannen verlopen, zelfs het autootje met die stomme hamster erin, hadden we zonder onenigheid achter ons kunnen laten, maar het ging mis toen ik de boodschappen van de kar naar de fietstassen wilde overhevelen. Mirre wilde de roomsoezen vasthouden, maar omdat ik voorspelde dat dat slagroompap met deegstukjes zou worden, probeerde ik haar te enthousiasmeren voor een ander product. Helaas, luid jammerend liet ze zich op de grond vallen. Ik stond erbij en keek ernaar. Er hebben zich vijf mensen bemoeid met Mirres warsheid. “Ze heeft even tijd nodig,” zei ik tegen  mensen die vroegen of ze iets konden doen. Toen een vriendin van me kwam aanfietsen, sloeg ze om. Met haar armpjes wijd open, kwam ze op me afgelopen. Ik heb geen idee of mijn vriendin en haar omslag verband met elkaar hadden, maar het was wel fijn. Want hoewel ik weet dat ik gewoon even moet afwachten, helemaal op mijn gemak sta ik daar niet. De vijf minuten die Mirre nodig heeft, duren opeens heel lang, als je het middelpunt bent van de aandacht.

Waarom straffen

Met gelijke munt betalen?

200815
Heel even kwam gisteren het zonnetje door en ik leg meteen mijn benen op de tafel voor me. We zijn bij opa en oma op de camping en Jip speelt met de kroonkurken, die in een groot blik zijn verzameld. Op een gegeven moment wil hij passeren. “Mama, doe je benen eens omhoog.” “Betalen, Jip,” zeg ik zonder mij te verroeren. Jip kijkt me vragend aan. “Het kost twee muntjes. Als jij mij twee muntjes betaalt dan gaat de brug open.” Ik wijs naar de kroonkurken in zijn hand. Jip vindt het een goed idee. Hij gaat wel vier keer onder de brug door en betaalt telkens braaf twee muntstukken. Als hij er klaar mee is, wil hij de kroonkurken terug hebben. Ik zeg: “Nee, daar heb je net mee betaald, die zijn nu van mij. Je kunt ze wel terugverdienen.” Jip blijft me afwachtend aankijken. Vervolgens geef ik hem een aantal opdrachten: drinken voor mij inschenken, luisteren of Mirre al wakker is, de vliegenmepper pakken, de kopjes naar de keuken brengen. Jip heeft in no time al zijn muntjes terugverdiend. Het was een leuk spelletje en ik hoop dat ik hem de basisprincipes van ons monetaire systeem heb kunnen bijbrengen. Als oma een half uurtje later aan Jip vraagt of hij alle kroonkurken even wil opruimen en terug in het blik wil doen, dan laat Jip niet eens merken dat hij daar geen zin in heeft. Hij komt direct naar mij toe, werpt twee kroonkurken in mijn schoot en zegt: “Mama, hier twee muntjes, ruim dit even op.” Hij loopt direct weer bij me vandaan, mij in verbijstering achterlatend. Volgens mij is er meer aan de hand dan ‘met gelijke munt betalen’. Geld is macht, lijkt hij te denken. Doordat ik in de lach ben geschoten duurt het even voordat ik kan reageren. Ik vind het sfeertechnisch jammer om in te grijpen, maar voel het als een belangrijke opvoedkundige taak om terstond zijn beeld over geld en geldtransacties bij te schaven. Gelukkig blijkt Jip een goede gesprekspartner; na onderhandeling maken we van het opruimen een gezamenlijke klus.