Autonomie? Dacht het nie!

280215

Om autonomie te stimuleren leerde ik bij de cursus van How2Talk2Kids dat je niet alle vragen van een kind direct moet beantwoorden. Dat betekent dat wanneer je kind vraagt waar de regen vandaan komt, je niet een verhaal houdt over de waterkringloop op aarde, maar dat je gewoon zegt: “Dat is een interessante vraag! Wat denk je zelf?” Je kind leert zelf nadenken en antwoorden vinden. Daarnaast word je zelf wellicht wat minder snel moe van al die ‘waarom-vragen’ van je peuter. Sinds een paar weken begint Jip ‘waarom-vragen’ te stellen. Leuk! Ik had naar dit moment uitgekeken. Ik dacht kennis te gaan maken met zijn fantasie en wat hij allemaal zelf kon bedenken. Niets was minder waar. Jip wil zelf geen antwoord geven. Hij wordt echt een beetje bozig als ik hem vraag wat zijn eigen ideeën ergens over zijn. Wat ik vermoed, is dat we dit zelf eerder in zijn leventje hebben verprutst. Als we Jip rond zijn tweede een boekje voorlazen en vroegen: “Jip wat is dit?” wijzend naar een voor Jip onbekend voorwerp. Dan antwoordde hij steevast “Wih jij dah zegguh?”als hij ons het antwoord schuldig moest blijven. Het leek wel of hij faalangstig was: toegeven dat hij het niet wist, was er niet bij. Jips vader en ik hebben heel hard ons best gedaan om hem te laten inzien dat ‘het niet weten’ ook oké is. Inmiddels vindt hij het helemaal niet erg meer om te erkennen dat hij iets niet weet, integendeel hij zegt bijvoorbeeld letterlijk: “Mama, ik weet eigenlijk helemaal niet wat een ram is…..” En kijkt mij daarbij vragend aan in afwachting van een antwoord. Hij lijkt het ook wel makkelijk te vinden om het antwoord voorgezegd te krijgen. Overstappen naar autonoom denken is echt niet makkelijk. Als ik zeg: “Oké, je weet het niet, maar kun je dan iets bedenken?” dan wordt hij wrevelig: “Ik zeg toch: ik weet het niet!!” Ja, dat is zo. Dat zei hij. Ik vind ook nog steeds, dat ik hem daarin moet erkennen. Dus wat doe ik? Juist, alsnog het antwoord geven op de vraag die hem bezig houdt. Daarna stel ik mijzelf gerust met de gedachte dat, voordat hij gaat vragen wat autonomie betekent, we vast al een heel eind op weg zijn. En anders is het een mooi streven.

Bij de improvisatieles blijven

Improvisatietheater
De eerste helft van mijn leven was ik nogal mensenschuw. Niet dat je dat aan de buitenkant kon zien, op af en toe een rood hoofd na, maar er was voortdurend angst. Ik was bang dat ik niet het juiste zou zeggen of doen en daarop afgerekend zou worden. Kinderen vond ik helemaal verschrikkelijk. Vooral kleine kinderen, zij kunnen namelijk buitengewone dingen tegen je zeggen of malle streken uithalen die vragen om een reactie. Ik had niet de spontaniteit om daarmee om te gaan en had het gevoel dat de hele wereld naar mij keek als ik probeerde op dit buitensporige gedrag te reageren. Het liefst ging ik om met volwassenen, die bekend zijn met de omgangsvormen. Dat was wel zo veilig. Eenentwintig was ik toen ik bedacht dat ik wat aan die sociale angst wilde doen. Ik wilde kennismaken met mijn eigen spontaniteit en ervaren dat ik daarop kon vertrouwen in interactie met anderen. Zo kwam het dat ik op toneel ging en begon met improvisatielessen. Mijn doel is daar gerealiseerd en ik maak er nog dagelijks gebruik van. De basisregels van improviseren zijn namelijk heel erg handig in relatie met je kinderen. Zeker ook wanneer je opvoedt zonder straf. De eerste regel gaat over het durven nemen van risico’s en niet bang zijn om te falen: ga onvoorbereid een scène in (met kinderen aan scènes geen gebrek :-p). Wees helemaal spontaan en open. Alles kan en alles mag. Denk niet te veel na en ben niet bang om te falen. (Check!). De tweede regel zegt dat je samen een stralend team bent: je speelt niet voor jezelf, maar je speelt met en voor elkaar. Samen ga je de scène verder brengen. Wees alert. Door goed af te stemmen op elkaar en de ander volledig te accepteren, kom je samen verder. (Check!). De derde regel houdt simpelweg in dat je geen ‘nee’ zegt, of ‘ja, maar’. Alles wat de tegenspeler inbrengt is “Ja!”. Op die manier blijft het spel doorlopen, bij “Nee” zou het blokkeren. Als iemand bijvoorbeeld zegt: “Je gulp staat open,” en jij zegt “hij staat niet open.” Dan is het spel dood. Hij staat dus open. Met dat feit heb je dan te dealen. Nog steeds ben ik blij dat ik mijzelf deze basisregels ooit eigen heb gemaakt. Ik ben niet bang om op creatieve impulsen in te gaan en zonder script schoenen te laten praten, die Jip in eerste instantie niet aan zijn voeten wil. Ik heb vertrouwen dat het gesprek tussen de twee schoenen zich vanzelf ontrolt. Ook weet ik dat ik om kan gaan met een Jip die ook allerlei ideeën heeft over wat die schoenen tegen elkaar zeggen. Uiteindelijk werken Jip en ik samen naar het moment waarop beide schoenen aan de voeten zitten. De ene scène is natuurlijk de andere niet. Als de geïmproviseerde scène mislukt, dan volgt er vanzelf een andere. Zo’n scene die de meeste ouders maar al te goed kennen en het liefste vermijden. Wellicht eentje die net zo interessant is om naar te kijken, maar met veel minder spelplezier.

Mama, die mevrouw is stom

260215

Iedereen heeft het weleens dat je iemand aankijkt en denkt: “Nee, deze persoon vind ik niet leuk.” Dat houd je meestal wel voor je. Delen heeft vrijwel alleen negatieve effecten en wie ben jij eigenlijk om te oordelen over die ander? Lastig is dat onze kinderen daar heel anders in staan. Goed, laat ik het bij mezelf houden. Lastig vind ik dat Jip daar heel anders in staat. Hij kan in de supermarkt samen met mij in de rij staan en gewoon hardop tegen iemand zeggen. “Jij mag hier niet staan,” of “jij bent stom” of tegen mij “mama, die mevrouw is stom hè?”. Hij fronst daarbij zijn wenkbrauwen diep en lijkt niet van plan zijn mening bij te stellen. De laatste categorie opmerkingen, betreft vragen waarop Jip slechts een bevestigend antwoord verlangt. Ze zijn direct aan mij gericht. Deze vragen vind ik nog het gemakkelijkst om op in te gaan. Ik zeg dan: “Oh? Nou, ik vind van niet hoor,” en leid hem vervolgens af. Voor de eerste twee opmerkingen heb ik nog steeds geen passend antwoord klaar. Ik lig er ook niet wakker van hoor, maar als het weer voorvalt, realiseer ik mij nog steeds geen geschikte reactie hierop te hebben. Ik zit er wel om verlegen. Ik wil mijn zoon niet afvallen op zo’n moment, maar vind ook niet dat hij het kan maken om dat te zeggen. “Nou, Jip” zeg ik tot nu toe en daar blijft het dan bij. De betreffende mevrouwen (want dat zijn het gek genoeg allemaal) doen gelukkig, geen een uitgezonderd, alsof ze het niet hebben gehoord. Een keer heb ik hem er buiten de winkel op aangesproken. “Jip, als je iemand stom vindt, die je voor het eerst ziet, dan zeg je dat niet hardop, want misschien is ze eigenlijk wel heel lief.” Jip kijkt me aan alsof hij water ziet branden. Omdat ik weet hoe feilloos hij dingen aan kan voelen, begin ik aan mezelf te twijfelen. “Mama, die mevrouw was echt stom,” zei hij nogmaals, bijna alsof hij me wilde waarschuwen voor iets wat hij wel zag en ik niet. Ik was uitgepraat. Jip ook. Hij wilde hard door de regenplassen rijden. Gelijk heeft hij. Superleuk!