Manipulatie van de bovenste tree

310115

Boven sta ik snel, snel, een was in de wasmachine te doen. Zowel Jip als Mirre zijn beneden en dan voel ik me toch altijd wat opgejaagd. Misschien gebeuren er ondertussen wel de meest vreselijke dingen onder mij? De trommel zit net niet vol. “Oh wacht, de ochtendjas kan er wel weer een keer bij.” Gauw naar zolder om die op te halen. Als ik hem erbij prop, hoor ik Jip beneden. “Mama, kom je?” “Ik kom er zo aan.” “Mama, kom nou!” “Ja, ja, ik zeg toch dat ik er zo aan kom?” De ochtendjas zit in de machine, ik stel hem in en zet hem aan. Jip begint zijn geduld te verliezen, maar ik hoor ook dat hij moeite doet om daar niet in mee te gaan. “Kom je nu dan naar mij, mama?” vraagt hij met een hoog stemmetje. “Ja, hoor,” zeg ik. Ik zet mijn eerste voet op de traptrede. “Goed zo, mama!!” Hoor ik, terwijl ik naar beneden loop en nog eens: “Ja, goed zo!” “O nee, dit is verschrikkelijk!” denk ik bij mezelf. Het gevoel alsof ik een randdebiel ben, wisselt zich af met het gevoel alsof ik niet serieus wordt genomen of op zijn allerminst openlijk wordt gemanipuleerd. Het moge duidelijk zijn dat deze ‘goed zo’ zwaar overdreven is voor de taak die ik uitvoer: simpelweg de trap afkomen. En ineens zie ik, dat ik precies hetzelfde bij Jip doe: ik complimenteer hem als hij mij gehoorzaamt. Belonen omdat hij aangepast gedrag vertoont. Zo gaan we dat dus niet meer doen. Na de laatste trede pakt Jip mijn hand, “kom mama” zegt hij. Hij heeft een trein gemaakt van de stoelen en ik mag mee. Ik groet mijn medepassagiers en ga braaf zitten. Jip kondigt het vertrek aan. Samen met Iejoor en Knorretje rijd ik even later het station uit. Onder de treingeluiden van Jip zak ik weg in een diepe overpeinzing. Vanuit mijzelf praten, “Ik vind het fijn dat je…..” zou dat een manier zijn om te belonen als hij meewerkt?

Waarom bewust belonen

Daar ga ik weer

300115
’s Morgens sta ik altijd vroeg op. Ik schrijf een blog, en daarna ruim ik de vaatwasser uit. Het is heerlijk rustig in huis. Heel soms hoor ik een huiltje door de babyfoon, maar over het algemeen laten de kinderen zich pas na half acht echt horen. Elke ochtend geniet ik weer van de rust. Als alle kleine klusjes klaar zijn, dan ga ik het ontbijt klaar zetten. Dat is voor mij het ultieme genieten. De glazen melk vullen, die van Mirre alvast in de magnetron, want die wil het een tikje warm. De spulletjes voor de pap op tafel en ook die voor het brood. Dan voel ik me echt zo’n moeder-moeder; ik voel zoveel liefde en kijk uit naar het moment dat ze wakker worden. Het uit bed halen vind ik ook fijn. Lekker knuffelen met die slaperige schatjes. Als we niet eerst gaan bankhangen, dan zitten we vijf minuten later aan de ontbijttafel. En hier gaat het dus regelmatig mis. Jip mag dan kiezen wat hij eet. Stel dat hij pap kiest, dan wil hij daarna toch weer brood. “Nu zeggen, Jip, want mama gaat de melk zo opwarmen!” “Pap, pap!” zegt hij dan vrij zeker. Als hij dan uiteindelijk pap krijgt, kan hij toch weer brood willen. Dan zijn er twee opties: Mirre krijgt zijn pap of ik probeer hem het toch te laten eten. Als Mirre zijn pap eet, kan het ontbijt verder in harmonie verlopen (soms gaat het bij kiezen van het beleg weer fout, maar à la). Als ik hem beweeg om zijn pap op te eten, maakt hij me daarna gek met ‘te dun’, ‘te dik’, ‘beetje dikker,’ ‘beetje dunner,’ ‘mag ik met een rietje drinken?’ Uiteindelijk heb ik een aantal keer ‘nu kiezen’ gezegd en dan word ik toch weer boos. Direct daarop vraag ik mijzelf af: “Waarom heb ik me hier weer in mee laten slepen?” Ik schrijf het nu aan jullie en dwing mijzelf daarmee om het morgen echt anders te doen. Frans stelde voor om hem geen keuze te laten, ik ga eerst nog proberen om te benoemen dat kiezen zo moeilijk is voor hem. Even kijken wat dat oplevert. Wordt vervolgd.

Waarom straffen

Twee doerakken

IMG_7157IMG_7156Ik heb twee doerakken. De ene het Mirre en de andere heet Jip. Ze weten dat ik ze hartstikke ondeugend vind en ze doen dus ondeugend. Inmiddels weet ik dat je kinderen (onbewust) in een bepaalde rol kunt plaatsen. Het is een zichzelf bevestigende voorspelling. Stel: je hebt een kind dat vaak onhandig, of driftig, lief of behulpzaam is. Als je als ouder dat eenmaal zo gaat zien, dan ziet een kind zichzelf ook zo, dan zal dat gedrag zich versterken. Het kind gaat het gedrag vertonen dat kennelijk van hem verwacht wordt. Ook dus als het niet gewenst is. Hoewel ik dus intussen heb gezien hoe het gaat en wij zelfs keihard gewerkt hebben om onze oudste uit een tweetal rollen te bevrijden, vind ik de ‘doerakrol’ te leuk om afscheid van te nemen. Ook mogen de kinderen van mij wel ondeugend zijn. Alleen maar lief, kan ook niet de bedoeling zijn. Ik kan er heel erg van genieten als die gezichtjes op de ‘ondeugendstand’ gaan, terwijl ze me aankijken en de hand nog eens naar de koekjestrommel beweegt. Ik hoop ook dat ze later wat streken uit durven te halen. Ik houd ook mijn hart vast, natuurlijk, maar als ze alleen maar lief zijn ontdekken ze niets. Laat ze maar stiekem een boerenschuur in lopen om te voelen hoe het is om op hooibalen te liggen en erop te springen, laat ze maar betrapt worden, terwijl ze vuurtje aan het stoken zijn achter op het schoolplein of toch smurfensnot maken ondanks dat ik dat verspilling heb genoemd.
Goed, ik zeg dus dat ik twee doerakken heb. Tegelijkertijd besef ik dat ik ze in een rol duw. Ik doe dat nog bewust ook, omdat ik een mate van ondeugd wil stimuleren in de kinderen. Ik zou ook kunnen benoemen wanneer ze af en toe ondeugend zijn, zodat ze kunnen inzien dat ze ook die eigenschap hebben. Maar ja, ik vind het zo lekker om af en toe ‘doerak’ te zeggen. Doerak! Doerak! Doerak! Hihi, lekker hoor.